Posts tonen met het label ree. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ree. Alle posts tonen

donderdag 11 januari 2018

Beestachtig mooie lezing van Tonnie Sterken

Mijn natuurvriend Tonnie Sterken is al meer dan een halve eeuw natuurman in hart en nieren. Ik leerde hem ruim tien jaar geleden kennen als de man die de roofvogels inventariseerde in de boswachterij Veenhuizen. Ons eerste gesprekje ging over het verdelen van dat werk. Hij doet vanaf dat moment het zuidelijke deel van de boswachterij, ik het noordelijke deel. Maar al snel trokken we er ook regelmatig samen op uit.

In de loop der jaren verbreedde Tonnie zijn horizon en werd een van de fanatiekste dassenspeurders die ik ken. En daarna volgden bijna als vanzelf de boommarters, de otters, de bevers en nog veel meer. Al jaren legt hij veel van die dieren vast met zijn cameravallen. Tonnie heeft een bijzonder talent om die camervallen precies op die plek te zetten waar de dieren langskomen en interessant gedrag laten zien. Hij heeft inmiddels duizenden van die filmpjes verzameld.

Nu verzorgt hij op verzoek voor groepen een prachtige lezing met zijn mooiste filmpjes. Bevers die modder naar hun burcht dragen, uitbundig spelende jonge dassen, otters die rollend onder een brug hun territorium markeren, allerlei vogelsoorten enzovoort. Bij die beelden weet Tonnie ook nog eens prachtige verhalen te vertellen. Kortom, een echte aanrader. Wil je Tonnie boeken, dan kun je contact met hem opnemen via de mail tonniesterken@kpnplanet.nl.

Hieronder een mooi voorbeeld uit zijn repertoire. Een ottermoeder, spelend met haar jong. Wel even op groot scherm bekijken.


zondag 6 december 2015

Wilde plekken #4 - Leegte langs de Dollard

Getemd kwelderlandschap bij Fiemel. 
Hoeveel leegte kun je als mens verdragen? Op de hoogvlakten in Noorwegen kreeg ik het af en toe behoorlijk te kwaad weet ik nog. Na dagenlang dwalen werd het verlangen naar het weerzien met een bos, of enkele boom, groter en groter.

Buizerd
Wie in Nederland de leegte wil ervaren kan naar de zomen van de Dollard rijden. Hier in de uitgestrekte landbouwpolders krijgt het begrip leegte voor mij echter een totaal andere betekenis. In de Johannes Kerhovenpolder en de Carel Coenraadpolder zijn de akkers voor mij van een onmenselijke maat. Ik vroeg me gisteren hardop af waarom je een stuk ingepolderde zee zo rationeel wilt inrichten. Alsof je elke herinnering aan alles wat natuurlijk is voorgoed wilt uitwissen.

Een buitengewoon interessant fenomeen is hoe dieren zich in dit soort landschappen toch weten te redden. In veel dieren, zoals een buizerd, kan ik me nog wel verplaatsen. Een buizerd is geen superspecialist. Als er iets te eten is, kunnen ze in nagenoeg elk landschap uit de voeten. Je ziet ze dan in de polders ook veelvuldig in de slootranden op muizen jagen. Dit zijn overigens de enige plekjes waar nog echt iets te vreten is. De akkers zelf lijken levenloze vlaktes. (Hoe anders was dat trouwens twintig jaar geleden toen de zogenaamde braakregeling voor een explosie aan muizen - en dus roofdieren - zorgde.)

Buizerd op kadaver van haas in de Carel Coenraadpolder.
Veldreeën
Maar wat hebben reeën hier bijvoorbeeld te zoeken? In alles lijkt dit landschap niet op waar ze 'vandaan komen'. De ree is in oorsprong een bosranddier dat zich - in tegenstelling tot een edelhert - met het kleine gewei gemakkelijk door kreupelhout kan bewegen. Het spijsverteringsstelsel van een ree is delicaat en gedijt het beste bij een gevarieerd dieet van kruiden, gras, twijgen, knoppen en zaden. Hoe anders is dat hier op de haast zomergroene wintertarwevelden.

In het boek Het Ree zegt auteur Bas Worm dat 'veldreeën ontstaan als bij toenemende dichtheden en/of gebrek aan wintervoeding reeën vanuit arme bossen naar grootschalige landbouwgebieden trekken'. Hier op de vruchtbare Groningse klei zijn echter geen arme bossen om uit weg te trekken. Als er al bossen zijn, zijn het rijke overhoekjes met stakerige bomen en zonder struiklaag. De kruidenlaag bestaat vaak vlakdekkend uit brandnetel. Ooit zijn de reeën vanuit de zandgronden tocht richting de klei gewandeld. Ze gedragen zich, zoals Worm ook schrijft, als steppedieren. Ze leven in grotere groepen omdat dit voordelen biedt ten opzichte van een solitair bestaan.

Veldreeën in een polder achter Termunten.

Kleibossen
Worm stelt dat reeën zich weer terugtrekken naar hun favoriete habitat - bosranden - als de dichtheid aan reeën afneemt. Maar dat zal hier, aan de randen van de Dollard, niet gebeuren vermoed ik. Tenzij de pleuris echt uitbreekt en het land om wat voor reden dan ook verlaten wordt, zal hier nooit bos groeien. Toen ik nog in de streek woonde heb ik er wel eens voor gepleit om wat meer bos aan te planten. Het leek mij een spannend idee, een bos van minstens een paar honderd hectare op die rijke kleigrond. Maar dat werd, waarschijnlijk om economische redenen, afgedaan als waanzin. Vaak begeleidt door de uitspraak: 'Ammehoela. Hier is nooit bos geweest.' Nee, het was ooit een kwelderlandschap. Toen wij dat begonnen in te dijken was het nog nooit akkerland geweest. Maar daar hoorde je nooit iemand over...

Hoe dan ook, ik vluchtte naar Drenthe. De reeën konden zich aan de randen van de Dollard beter aanpassen aan de leegte dan ik. Voor hen is dit rationele en rechtlijnige landschap 'gewoon' een wilde plek. Ik moet voor dat idee naar de andere kant van de dijk, waar het brakke water diepe geulen in de slikplaten slijt in een eveneens, door ons, zwaar getemd landschap. Maar de wind beukte er gisteren met een flauwe windkracht zes alle warmte uit mijn lijf. In de verte zag ik de windmolens, kranen en afzichtelijke gebouwen van Delfzijl en Emden. Toch gaat die kust weer steeds harder aan me trekken. Ik lijk wel een paling die na een jarenlang verblijf in het binnenland, gedreven door zijn instinct, terug wil naar de zee.

woensdag 18 november 2015

Natuurcollege over reeën

Op zondag 22 november verzorg ik een natuurcollege over reeën bij hotel restaurant Bitter en Zoet in Veenhuizen. Na een inleiding van een klein uur, gaan we buiten op zoek naar reeën en de vele typische sporen die ze achterlaten. Het ree is dan misschien niet het meest zeldzame dier in Nederland, maar wel een van de meest interessante. Vind ik. En daar ga ik u zondag ook van proberen te overtuigen. We staan stil de jaarcyclus van reeën, het belang van geur in hun dagelijkse leven en ook hoe je aan de hand van sporen hun gedrag steeds beter kunt leren kennen. Start: 14 uur. Prijs: 5 euro, inclusief koffie/thee. Duur: circa 3 uur. Voorafgaand kunt u eventueel gebruik maken van een heerlijke lunch in het restaurant (prijs 13,50 euro). Opgeven kan via info@bitterenzoet.nl of bel met 0592-385002.

Een reegeit tuurt nieuwsgierig in de cameraval. 


zaterdag 7 november 2015

Natuurspoorjournaal #85 - Naturalist skills

Kijken naar diersporen is een leuke bezigheid. Daar moet je verder ook niet te pretentieus over doen. Maar toch denk ik dat de kracht van diersporen in ecologisch onderzoek ook wel eens wordt onderschat. Het goed leren lezen van diersporen brengt veel aan het licht over het gedrag van dieren en hun terreingebruik in tijd of plaats. Het live observeren, gebruik van moderne onderzoekstechnieken én het in in kaart brengen en interpreteren van diersporen is naar mijn mening een ijzersterke combinatie. Maar juist die laatste tak wordt tegenwoordig vaak genegeerd of afgedaan als spielerei. Onterecht natuurlijk.

René Nauta en Annemarie van Diepenbeek bij een marter-spoor.
Louis Liebenberg bekijkt het in zijn boek The art of tracking, the origin of science juist van de andere kant. Hij laat zien dat de jager-verzamelaars in de Kalahari hun jacht op dezelfde manier benaderden als een moderne wetenschapper zijn onderzoek. Oftewel, hoe hypotheses worden opgezet, uitgewerkt en getoetst om uiteindelijk tot een succesvolle jacht te komen. Hij laat ook zien dat spoorzoeken en -interpreteren leidt tot een rijkere manier van associëren en het beter kunnen oplossen van problemen.

Zelfde steenmarter, stukje verderop op iets minder slikkig gedeelte. 

GPS-zender

Tuurlijk, je kunt een dier tegenwoordig ook een gps-zender ombinden. Dat levert ook weer een schat aan gegevens op en corrigeert vaak meningen en gedachten die we over een bepaalde diersoort hebben. Kijk hier maar eens wat we daardoor te weten zijn gekomen over bijvoorbeeld wespendieven. Ook de inzet van cameravallen brengen zaken aan het licht die we niet eerder hebben gezien. Maar hoe meer ik met name die camera's gebruik, hoe meer ik ook de kracht van 'old school' spoorzoeken en traditionele veldkennis waardeer. En dus juist ook de combinatie van die werelden.

Een techniek die ik graag gebruik bij mijn veldonderzoek naar bijvoorbeeld dassen en boommarters is wat de Amerikanen Jon Young en Tiffany Morgan ecological mapping noemen. Mark Elbroch werkt het in zijn boek Mammal Track & Sign uit in de vorm van de drie perspectieven: liggen, staan en vliegen. Het gaat dus om het letterlijk in kaart brengen van sporen die je vindt. Die kaarten leiden vaak tot een inzicht die je niet ziet als je de waarnemingen in je hoofd probeert op te slaan of als losse waarneming in een boekje schrijft. Bij dat 'mappen' kan een gps een handig hulpmiddel zijn, maar nog beter is het om het gewoon te tekenen.

Zoektocht naar een burcht van een das, vastgelegd met een gps. De hoeveelheid en variatie aan sporen suggereerde een nieuwe hoofdburcht, maar uiteindelijk blijkt het te gaan om een bijburchtje van een verderop gelegen, veel grotere burcht met een strakke markering van de grenzen van het 'vergrootte' territorium. Interessant is om nu te volgen of het begin is van een nieuwe hoofdburcht. 

Kleutergekriebel

Nu ben ik helaas niet gezegend met veel talent op tekengebied, maar zelfs mijn kleutergekriebel levert me veel op. Ten eerste leer ik een bepaalde omgeving sneller kennen. Als ik iets inteken, onthoud ik het beter, vind ik plekken sneller terug. Door de vrijgekomen waarnemingsruimte zie ik daarna meer sporen en aanwijzingen. Blijkbaar kan mijn geest, en ik vermoed dat het bij meer mensen zo werkt, niet tegelijk alle geografische informatie en ecologische informatie vastleggen.

Door na afloop die tekeningen weer te bestuderen, ga ik in gedachten het gevolgde pad weer af en zie ik de sporen opnieuw en zie ik vaak wel de context. Die kan ik vervolgens bij een hernieuwd bezoek toetsen. Op deze manier leer je anders en vooral dieper kijken en observeren. Op een gegeven moment zie je wat dieren doen, zonder dat het dier zelf ooit in beeld is geweest. In het begin zijn dat nog momentopnames, maar hoe langer je het doet, hoe completer het verhaal wordt. Interessant is ook dat sneeuwperiodes je weer een stap vooruit helpen in het toetsen van je waarnemingen. Op deze manier ontwikkel je steeds meer 'naturalist skills'.

Geen tekentalent, maar wel net genoeg om bruikbare kaartjes te maken. 

CyberTracker

En hoe belangrijk dat toetsen kan zijn, bleek wel uit een Amerikaans onderzoek naar otters. Lees hier maar eens. In de afgelopen twee jaar heb ik daarom 2x keer aan een Tracker Certification volgens de CyberTracker-methode meegedaan. In twee dagen wordt je kennis van dat moment getest en weet je waar je staat en vooral ook wat je blinde vlekken zijn. En ook al haalde ik dit jaar een lagere score dan vorig jaar, ik heb wel weer een stap vooruit gezet. En dat niet in de laatste plaats omdat de evaluators Casey McFarland en George Leoniak de betreffende sporen op een ecologische manier duiden. En de open wijze waarop ze dat doen en de inzichten die ze je meegeven zijn voor mij van onschatbare waarde.

Vos jaagt op mol. 
En dan? Dan is het nog maar een kleine stap naar het allerleukste onderdeel van deze wonderschone liefhebberij, het vertellen van een mooi verhaal. Donderdag liep ik met René Nauta, Annemarie van Diepenbeek, Jeroen Kloppenburg, Tom Dekker en Guido Lek ergens langs de IJssel. Met mensen dus die spoorzoeken tot hun primaire levensbehoeften rekenen. De hoeveelheid aan sporen was overweldigend, maar ik had gelukkig nog genoeg ruimte om oog te hebben voor een soort die me lief is. Hij staat in mijn Top 100 op plaats nul, boven lynx, das, boommarter, raaf, wolf, klapekster, ree, kraanvogel, bosuil, wild zwijn, edelhert, bever, otter, buizerd, nachtzwaluw en al die andere soorten waar ik graag naar kijk. De vos.

Mollenrit

De armen van de IJssel stonden nagenoeg droog waardoor een welhaast perfecte sporenmodder was ontstaan. We vonden poep van een bever, braakballetjes van een ijsvogel en genoten van de figuren die zwanenmosselen in het slik hadden gemaakt, alsof er buitenaardse wezens waren geland. En in al dat sporengeweld 'zag' ik geregeld een vos lopen, rennen of omkeren in patronen zoals vossen eigen is. En net toen ik hem even vergeten was, dook hij weer op bij een mollenrit.

Over een lengte van een meter of vijf zag je om de twintig centimeter een kuiltje. Daar had hij geprobeerd de mol (of een ander beest) die door de gang onder grond liep te pakken te krijgen. Uit het feit dat dit patroon zich tot het eind herhaalde, maakte ik op dat de jacht mislukt was. Ik zag de vos teleurgesteld afdruipen. Maar dat laatste  beeld heeft bijna niets meer met feiten te maken, maar alles met fantasie...

O ja, we vonden tussen alle bedrijven door nog even de sporen van een otter. Nieuw voor de omgeving van Deventer en dus nieuws. Over de kracht van sporen gesproken...

vrijdag 28 augustus 2015

Natuurspoorjounaal #81 - Lijkvlek

Lijkvlek in de bossen van Gees.
'Een lijkvlek', zei mijn collega Jan Heikens zonder blikken of blozen. We stonden in het prachtig wilde Gees gebogen over een zwarte cirkel op de bosbodem. Alsof er een klein vuurtje had gesmeuld. Ik weet dat het zo genoemd wordt, maar ik krijg het woord niet zo goed over mijn lippen. Ik heb er nog altijd de associatie bij van de paarse verkleuring die verschijnt op de lage delen van een overledene. Maar goed, een passend synoniem voor de vlek dat een dier achterlaat in het bos schiet me ook niet meteen te binnen. Kadavervlek bijvoorbeeld, klinkt zo mogelijk nog luguberder.

Maar wat heeft er gelegen, hoe lang en waarom is er nu helemaal niets terug te vinden botten, huid of haren? Allemaal vragen die me te binnen schoten toen ik de eerste herinneringen aan echte lijkvlekken had verdrongen. Qua grootte zou een klein reekalf goed kunnen, maar zulke kleine reekalveren zijn er nu niet meer en er was zoals gezegd ook helemaal niets meer wat daarop wees. Voor een (dood)geboren kalfje van een Schotse hooglander was het veel te klein. En voor een geslagen vogel was het weer te groot en ook hierbij zou je verwachten dat er nog wel een veertje of ander restant te vinden zou zijn.

Bij grote kadavers is zo'n trouwens vlek vaak nog jaren zichtbaar. Vrijgekomen stoffen uit het kadaver en het gebrek aan licht op de plek zorgen in eerste instantie voor een zwarte verkleuring. Planten groeien er minder goed of in ieder geval anders, waardoor de vlek nog lang herkenbaar blijft. Maar dat lijkt hier allemaal niet aan de orde.

De enige verklaring die ik tot nu heb kunnen bedenken is dat het geen lijkvlek is, maar een moederkoekvlek. (Ook geen lekker woord trouwens.) Meestal eten runderen bij de geboorte van een kalfje de nageboorte oftewel moederkoek meteen op, maar heel soms ook niet. Daarna kan een vos of andere aaseter het na een tijdje hebben opgegeten, versleept of wat dan ook. Al lijkt me een tien dagen oude moederkoek zelfs voor een vos niet echt een delicatesse. Het 'object' moet er gezien de diepe verkleuring toch wel even gelegen hebben.

Ik geef toe, het is een slag in de lucht en ik sta zeer open voor andere suggesties. Dit soort raadsels fascineren me namelijk enorm en daar schaam ik me wel een beetje voor. Koos van Zomeren schreef immers ooit eens iets in de trant van, de natuur en de dood gaan hand in hand, maar je hoeft er niet bij gaan staan juichen...

donderdag 26 februari 2015

Natuurspoorjournaal #77 - Eindeloze natuur

Sporen van grote bonte specht op zoek naar larven van eikenprachtkever.
Boswachterij Veenhuizen
Ik ben jaloers op Robert Macfarlane en dan vooral op zijn boek The Wild Places. Hij laat je op onnavolgbare wijze voelen hoe het is om buiten zijn. Als ik zijn zinnen lees, voel ik dat het regent, waait, koud is of verlaten, kalm of juist woest en onherbergzaam. Het boek gaat over een fenomeen dat maar moeilijk onder woorden is te brengen, maar Macfarlane komt een heel eind.

Het gaat niet zozeer over wildernis zoals de Nederlandse vertaling van de titel - De laatste wildernis - suggereert. Het gaat misschien al meer over wildheid, of wildness zoals de Engelsen zeggen. Over het wilde of ongetemde. In het kleine bosje vlak buiten zijn dorp als hij bij storm hoog in een beuk klimt, of als hij bijna verzuipt in het Ranoch Moor. Hij wil laten zien dat wildheid nog overal kan zijn, zelfs in een sterk gereguleerde omgeving.

Voor de beleving van dat soort wildheid hoef je inderdaad niet naar de ruige gebieden in Schotland, Wales of Engeland, maar kun je ook gewoon in Nederland blijven. Je kunt daar heel meesmuilend over doen, maar na een dagje zandstralen op het strand van Vlieland of ploeteren door de regenachtige Onlanden snap je wat ik bedoel. Je moet het misschien alleen wat meer opzoeken dan in de Sahara in of de Rocky Mountains.

Dit soort ervaringen zijn wat mij betreft juist ook in Nederland van onschatbare waarde. Ik word er niet alleen blijer van, maar het geeft me telkens weer een bredere kijk op de wereld. Of zoals natuurfilosoof Matthijs Schouten het onlangs zei: 'Grootse natuurervaringen verruimen je denkwereld.'

Dus, met ruig weer juist naar buiten. En je komt dan altijd wel weer iets 'wilds' tegen, zoals vanochtend in de bossen van Veenhuizen. Een grote bonte specht bijvoorbeeld die op een eik naar de larven van eikenprachtkevers had gezocht. Op de grond lagen als bewijs honderden stukjes schors waarachter de lekkernijen verborgen zitten. Of zoals vanmiddag in het Drents-Friese Wold waar collega Jorien Bakker en ik het fenomeen buitenvergaderen naar eigen inzicht invulden.

Tussen het vergaderen door zagen we hoe de dassen uit hun winterrust waren 'ontwaakt' en een paar kakelverse latrines hadden geproduceerd. Niet veel later konden we minutenlang een onvolwassen havik observeren. En we vonden overal prenten van reeën, uitwerpselen van een vos en braakballen van buizerd en bosuil. Toch een stuk interessanter dan de hele tijd naar je vergaderstukken kijken.

Ondertussen werd het steeds minder droog. Op een zeker moment konden we zelfs spreken van een serieus regentje. We kozen daarom voor een omweg richting auto. Ik probeerde nog even onder woorden te brengen hoe we als mensen op verschillende manieren de natuur beleven. 'Voor mij is de natuur vooral eindeloos', zei Jorien. Ik merkte dat haar opmerking bij mij een paar radertjes aan het werk zette. De natuur is inderdaad in zoveel verschillende opzichten eindeloos. In tijd, in ruimte, in herhaling, in beleving...

De eindeloze natuur, ik vond dat in die zeikende regen een buitengewoon geruststellende gedachte.

Latrine van een das. Drents-Friese Wold


zaterdag 20 december 2014

Natuurspoorjournaal #73 - De kikkermoordenaar

Bruine kikker op ca. 1 meter hoogte.
Zo'n dag dat je afspreekt om het veld in te gaan, maar dat het weer dreigt er een zeiknat gebeuren van te maken. Wat doe je dan? Gaan! Meestal blijft het gewoon droog, heel soms word je wel nat. Maar ook dat heeft een voordeel, de koffie smaakt na afloop nog lekkerder. 

Ik worstel de laatste tijd een beetje met de manier waarop ik mijn dierspoorlezingen en -excursies moet vormgeven. Door een combinatie van enthousiasme en kennisdiarree is de informatiestroom vooral bij lezingen zo groot dat ik me afvraag of er überhaupt iets beklijft. Bovendien is een foto van een spoor dubbeldood. 

Aan de andere kant raak ik er ook steeds meer van overtuigd dat het lezen en interpreteren van diersporen een belangrijke bijdrage kan leveren in de bescherming van natuur. Onverschilligheid is immers een groot gevaar. Wat niet weet, wat niet deert. Door mensen te wijzen op sporen maak je dieren 'zichtbaar' die je niet ziet. Het prikkelt bovendien je inlevingsvermogen. Wat heeft dat deed dat dier hier eigenlijk? Wat heeft zo'n dier nodig? Welke invloed hebben wij als mens op zijn leefomgeving? Dat besef, of noem het voor mijn part bewustzijn, heeft mijn kijk op de dagelijkse werkelijkheid in ieder geval drastisch veranderd. 

Genoeg geepibreerd, even terug naar de harde werkelijkheid. Vandaag ben ik dus met een groepje oud-cursisten van de IVN-natuurgidsenopleiding op pad geweest in het Drents-Friese Wold. Ik wilde eens uitproberen of bij zo'n excursie meer focus op één diersoort een beter, meer beklijvend resultaat oplevert. Met deze aanpak kun je dieper ingaan op de ecologie, sporen beter koppelen aan gedrag en uiteindelijk voorspellingen doen. 

Als 'dier van de dag' hadden we gekozen voor de ree. En uiteindelijk denk ik dat de aanpak heeft gewerkt. Of beter, ik had er wel een goed gevoel over. Ondertussen zagen we natuurlijk allerlei andere leukigheden: een paar prachtige prenten van een boom- of steenmarter, nesten van eekhoorns in verschillende boomsoorten en 'dus' met verschillende bouwmaterialen en een muis die tijdens het eten van een paddenstoel zijn gevoeg had gedaan. Zeg maar, een beetje poepen op de rand van je bord. 

Het spoor van de dag was echter een dode bruine kikker die op een wat vulgaire manier in een afgestorven boompje hing. Door te deduceren kwamen we op het idee dat het dier door een buizerd moet zijn achtergelaten. Alle andere kikkermoordenaars werden vooralsnog vrij gepleit. In zijn nek had het ook een kleine wond waar precies de haaksnavel van een roofvogel in paste. Maar dat zagen we pas toen we het beest hadden omgedraaid. Honderd procent zekerheid heb je dan natuurlijk nog steeds niet.

Kort na deze puzzel overviel me echter een gedachte waar ik de hele middag nog plezier van heb gehad. Ik zag die buizerd terugkeren, in volstrekte verwarring. Ineens was de kikker die hij zo bewust op zijn rug had neer gevleid, op zijn buik gedraaid. Welk dier had dat gedaan? Wat deed dat dier hier eigenlijk? Wat heeft dat dier nodig?

Koffie. Met veel warme melk graag...

Prachtige prenten van boom- of steenmarter in nat zand. 

maandag 28 juli 2014

Bronstige reeën op het dak


Een deel van het dassenonderzoek in de Kop van Drenthe doen we met cameravallen omdat de burchten niet of nauwelijks te overzien zijn. Tonnie Sterken neemt een groot deel van de werkzaamheden voor zijn rekening: burchten inspecteren, camera's plaatsen, beelden bekijken, opnieuw camera's plaatsen omdat hij toch bij het verkeerde deel van de burcht hing, weer beelden bekijken en natuurlijk blij of teleurgesteld zijn al naar gelang wat er op de beelden te zien is.
In het onderzoeksgebied in de Kop van Drenthe hebben we inmiddels bijna 15 burchten 'bemonsterd'. De laatste weken pikken we via de cameravallen ook geregeld een intiem stuk van de reeënbronst mee. In bovenstaand filmpje heb ik een compilatie gemaakt van de mooiste beelden die Tonnie bij elkaar sprokkelde in de afgelopen weken. Het meest opvallende is wat mij betreft het shot waar een reebok probeert te paren met een reegeit en waar nog een andere hitsige reebok achteraan sjouwt. De meeste reeboken dulden geen pottenkijkers. Op het tweede shot kun je zien - als je goed kijkt - dat de tong van de reebok uit zijn bek hangt en de reebok zijn lippen opkrult, het zogenaamde flemen.
En tot slot vraag ik me ook wel af wat die dassen vinden van al dat bronstige gedoe op het dak van hun huis...


vrijdag 30 mei 2014

Natuurspoorjournaal #65 - Haren en kegels

'We hebben nog een pluk haar gevonden', brult mijn collega Henk Mulder door de telefoon. Hij is met een andere collega naar een dassenburcht geweest voor een voorverkenning en de vondst begint door de telefoon steeds exotischer vormen aan te nemen. Vooral de kleurcombinatie van de haarpluk fascineert me, roodbruin, wit en donkergrijs. Gelukkig nemen ze dat soort dingen altijd voor me mee. Fijne collega's heb ik.
Toen ik de pluk haar in handen kreeg geduwd, had ik even geen flauw idee. Op een gegeven moment dwaalden mijn gedachten af naar een avondje dassen observeren bij een grote familieburcht. Op die burcht zat naast een stokoude, bijna zilverachtige das, nog een oudje. Bij die das was de overgang van rug niet meer donkergrijs, maar bruinig. Zou het een dassenstaart zijn?
Maar nee, de haren waren veel grof voor een das. Meer zoals het winterhaar van een ree. Maar als het van een ree is, dan moet het een gedeelte van de spiegel of staart zijn. Mogelijk lag er ergens een kadaver en zijn delen van het dier door een das, vos of marter versleept. Misschien was het toeval dat het in de buurt van de burcht lag. In mijn hoofd spelen zich de meest fantastische verhalen af, maar feitelijk ben ik nog steek verder.

Haarpluk van een ree? Mogelijk van het gebied rond de staart. 

Grote schoonmaak
Nee, dan is een muis die zijn huis opruimt een stuk overzichtelijker. 'Ha, een bosmuis heeft een voorjaarsschoonmaak gehouden', denk ik hardop als ik dat prachtige spoor weer eens tegenkom in een bosje bij Norg. Twintig jaar geleden zag ik dat beeld eens op de Veluwe en een gids vertelde me toen dat een bosmuis verantwoordelijk is voor die schoonmaakwoede. Het gekke is dat die uitspraak nog steeds als eerste bij me opkomt als ik het zie.
Maar het gekke is ook,  het hol waar de aangeknaagde larix-kegeltjes voor lagen had geen enkel kenmerk van een bosmuiswoning. Bovendien zijn bosmuizen nu ook weer niet per se van die enorme verzamelaars. Ik ben ook nog nooit zo'n berg tegen gekomen voor een zeker bosmuizenhol (zo eentje met een enorme zandkegel er voor). Rosse woelmuizen zijn daarentegen wel verzamelaars. En het holletje, dat een beetje was weggestopt onder een mosdekje, leek ook veel meer op dat van een woelmuis. En dan schiet me voor de zoveelste keer een uitspraak van Rob Bijlsma te binnen: we roepen maar wat. Inderdaad! En ik sta zelf soms vooraan in de rij.

Een rosse woelmuis (waarschijnlijk) heeft een voorjaarsschoonmaak gehouden.



dinsdag 28 januari 2014

Natuurspoorjournaal #59 - Harz #2

Even kort door de bocht, missie Lynx episode 4 is ook mislukt. Voor de duidelijkheid, ik hoef niet per se een lynx te zien, maar een prentje (of twee) zou wel aardig zijn. De ranger (zo noemde hij zichzelf, daar kan ik ook niets aan doen) in het infocentrum in Bad Harzburg gaf ons nog een beetje hoop. Rond de luchsgehege werd af en toe ook een vrijlevende lynx gezien met haar drie jongen van vorig jaar. Maar hoe we ook zochten op ons zes uur durende struintochtje geen spoor van die turbopoezen natuurlijk.

Wilde kat?
Wel vonden we op een verder onbelopen paadje twee andere, niet kakelverse, prenten in de categorie zeer verdacht. Op foto 1 zie je een van beide. Vijf centimeter lang en ongeveer even breed. Een middenkussen in de vorm van een verse babyneus, licht asymmetrisch staande teenkussens, geen duidelijke nagelindrukken. Dat hadden we allemaal beredeneerd na ongeveer vijf minuten observeren en meten. Maar het eerste wat ik zei toen ik de prent zag was geloof ik: O my god. Waarop Nicolette meteen zei: O my cat. Maar het is de eerste keer dat we de prent van een wilde kat zouden vinden, dus ga ik toch Annemarie van Diepenbeek maar even lastig vallen. 

Foto 1. Prent van een wilde kat?
En het was toch al geen beroerde dag, ondanks het gemis van de lynx. We volgden tientallen keren voor kortere of langere tijd de 'trail' van een vos. Zagen meerdere keren boommarters en bosmuizen over het pad hoppen, vonden prenten van wild zwijn en wasbeer en meterslange gangen van woelmuizen. 

Boommarter
Het meest werden we in beslag genomen door twee prachtige boommarterwissels. Na lang zoeken vond ik soms een prentje waar de teenkussens nog een beetje te zien waren, maar bij de meeste moest ik het doen met de contouren, wat natuurlijk ook niet zo gek is bij boommarterprenten. Ze hebben immers nogal een fors 'behang' tussen de teenkussens. 
De drukbelopen wissel kwam uit het bos (zie foto 2), stak het pad over, het talud af, linea recta naar een van de 2 plekken waar ze, op een traject van ongeveer 3 kilometer, de snelstromende Ecker over konden steken. Bij de eerste plek werd een liggende boom gebruikt die volledig de beek overspande (foto 3), bij de tweede plek geval hopten ze van steen naar steen naar boom (foto 4). 

Foto 2. Plek 2. Wissel van boommarter.

Foto 3. Plek 1. Boom wordt door boommarter gebruikt om de beek over te steken.

Foto 4. Plek 2. Oversteekplaatsen van de marter. Bij de onderste rode pijl is vaag
het slijtspoor te ziet waar de marter zich afzet om naar de volgende steen te
springen. Via de tak waar de bovenste rode pijl bij staat vervolgde hij zijn weg.
Vos
En dat tot slot, jullie vervelen je vast stierlijk van al dat geleuter over spoortjes in de sneeuw, natuurlijk nog wel een vossenspoor. Een dag zonder vos, is geen goede dag. Ik ben van vossen gewend dat ze redelijk 'wild' graven als ze iets eetbaars op het spoor zijn. Hier in de sneeuw en met bevroren ondergrond willen ze blijkbaar niet te veel energie verspillen. Het zijn telkens kleine krabplekjes (foto 5), meestal leidt het naar de ingang van een muizenhol. Maar ook hier heeft hij of zij het weer snel opgegeven. Op naar de volgende kans. Net als wij.

Foto 5. Loopspoor met krabplekje van een vos. 

dinsdag 12 maart 2013

Natuurspoorjournaal #37 - Exoten

Beesten in het nieuws. Ko de Boswachter-show. Wie kent het niet? Oei, ik zie te veel vingers. Hoe dan ook, regelmatig komt deze 'jingle' in mijn gedachten voorbij. Bijvoorbeeld, deze week vooral in het nieuws, het damhert. Nare plaatjes in de krant over de damherten in de duinen en vandaag een bijzonder telefoontje van een meneer die een zomerhuisje heeft in Norg.
   'Ik heb een vraag.'
   'Brand los.'
   'Komen hier ook herten voor? Ik heb namelijk twee damherten in mijn tuin gezien.'
   'Dan komen hier dus herten voor.'
   'O, maar ik dacht dat het heel bijzonder was.'
   'Dat is ook zo. Formeel komen hier in het wild geen herten voor, alleen reeën. Maar er ontsnapt er wel eens eentje uit het een hertenkamp.'
   'Maar het waren er twee! Twee hindes.'

De rest van het gesprek zal ik u besparen. Ik kon via de telefoon niet achterhalen of de meneer in kwestie echt twee damherten in de tuin had of dat het twee uit de kluiten gewassen reegeiten waren. Ik ga binnenkort een keer bij hem langs. Maar er is meer. Vorige week was ik op bezoek bij mijn gewaardeerde collega Beijk te Jubbega. Hier probeerden we te achterhalen of een waarneming van een wasbeerhond te reproduceren was. Niet dus. Wat natuurlijk weer niet wil zeggen dat de mevrouw ik kwestie geen wasbeheerhond heeft gezien.
Maar ook hier kwam in de marge dat gekke damhert voorbij. We vonden een paar grote prenten van een evenhoevige. 'Het lijkt wel alsof hier een wild zwijn gelopen heeft', zei ik. (Was natuurlijk niet zo, want dan zouden de bijhoeven ver buiten de buitenste lijn van de schalen moeten staan. Maar het ging even om het idee.) 'Zou het van een damhert kunnen zijn', probeerde collega Beijk de boswachterseer hoog te houden. 'Die lopen hier rond...' Ja, ik had ook al zo'n donkerbruin vermoeden.
Ik hou van damherten, wasbeerhonden en ook van bijvoorbeeld wallabies en stinkdieren! Als dierspoorfetisjist houd ik er een afwijkende opvatting over exoten en andere dubieuze importbeesten (ja, damherten liepen hier ook voor de laatste ijstijd al rond maar zijn ze dan inheems?) op na. Naast alle ellende en verdringing van inheemse diersoorten (ja, ik snap het soms echt wel) levert het vooral ook weer nieuwe sporen op. En dat is het allerbelangrijkste. Toch?


zondag 10 februari 2013

Natuurspoorjournaal #33 - Edelhert

Nog even een korte extra uitzending. Op de terugweg van vrienden naar huis even uitgestapt bij de Planken Wambuis. Veel sneeuw daar. De meeste mensen hadden het bos weer verlaten en de zon was  achter de bosrand gezakt. Op een gegeven moment kwamen twee reeën uit een bosvak stuiven. Door op onze knieën te gaan zitten, merkten ze ons niet op en passeerden ze op een meter of tien. Een stukje verderop liepen de veroorzakers van de onrust, een roedel van twaalf edelherten. Het gekke was, een half uurtje later kruiste dezelfde roedel nog een keer ons pad. Bij de oversteek viel me op hoe weinig prenten er stonden voor zo'n grote groep (helaas al te schemerig voor een goede foto). Als ik de roedel niet had gezien, had ik hem op basis van de prenten op vijf tot zes dieren geschat. En minstens zo verbazend voor mij was de smalle wissel die twaalf van die dieren achterlaten. Voor de Veluwe-kenners is dit natuurlijk allemaal gesneden koek, maar voor ons minstens een gebakje ;-)

Hieronder nog wel een fotootje van een ree die wisselt van 'gang'. Ze kwam in stap vanuit de bosrand de hei oplopen, schrok van iets, maakte een haakse bocht en ging over in galop de bosrand weer in. Bij de stap ontstaat er tussen de prenten een sleepspoor van de poot door de sneeuw. De prenten staan in twee parallel lopende lijnen, versprongen naast elkaar. Bij en galop staan de prenten van alle vier de poten dichter bij elkaar en ontbreekt het sleepspoor. In volle spronggalop (niet op de foto) staan alle vier de prenten vlak bij elkaar in een 'kuil'. 

'Gangwissel' van een ree. Planken Wambuis. 


donderdag 17 januari 2013

Natuurspoorjournaal #31 - Wisselen

Het blijft een bijzondere ervaring, het spoor volgen van een wild dier. Of dat nu van een poema of een ree is, maakt in beginsel niet zoveel uit. Je weet dat je niet alleen bent. Op zulke momenten moet ik vaak denken aan de toespraak van Opperhoofd Seattle. Hij sprak in 1854 tot de Amerikaanse regering die een stuk land van de Indianen wilde kopen. Seattle begreep het eigenlijk niet. Hoe kon hij iets verkopen dat niet van hem was...

In die toespraak zit de volgende passage. 'Wat is een mens zonder dieren? Als alle dieren weg zijn, zal de mens sterven aan een gevoel van grote eenzaamheid. Want wat er gebeurt met de dieren, gebeurt spoedig met de mens. Alle dingen hangen samen.'

Mij bekruipt wel eens het gevoel dat we die dingen waar Seattle over spreekt veel te ingewikkeld maken...

Wissel van een ree door het bos. 

zondag 15 april 2012

woensdag 21 maart 2012

Dierspoorjournaal #8 - Vandalistische reebok

Je bent een gezonde reebok en dus heb je een stevig gewei. Een zesender noemen ze dat geloof ik. Dat gewei is je trots, je laat zien hoe machtig en ‘gevaarlijk’ je eigenlijk bent. Andere bokken kunnen aan de hand van je gewei al een inschatting maken hoe de vlag er bij hangt. Ben je te verslaan of niet? Kortom, dat gewei is in een bokkenleven van groot belang.

Een bepaalde periode in het jaar word je echter gierend gek van dat gewei. En dat is ongeveer nu. De fluwelen bast die het hoorn nog bekleedt moet er af. Er wordt wel beweerd dat het op een gegeven moment gaat jeuken, maar eigenlijk komt het nog meer van binnenuit. Het is iets met hormonen, vertelde een Duitse reeenprofessor mij ooit. Ergens in dat bokkenlijf wordt het ‘beslist’: nu moet die bast er af. Nu. Schuren met die handel.

Daarvoor wordt een jong boompje uitgezocht, niet te dik. Een centimeter in doorsnede hoogstens. Het zijn dezelfde boompjes die ook elders in het jaar geschikt zijn om je geur op af te zetten, je territorium af te bakenen zoals dat heet. Dat gaat nog met een bepaalde vriendelijkheid. Een klein deel van het stammetje wordt op den duur kaalgeschuurd. Maar het boompje die als ‘ontvellingsboompje’ moet dienen, is geen lang leven beschoren. Het wordt van boven tot onder gebruikt. De drang is zo sterk dat ook de grond rondom het boompje moet worden bewerkt met je hoeven. Platgetrapt, opengekrabt, kapot gemaakt…

Nu hoop ik dat die animalcops hun werk niet al te letterlijk opvatten. Voor je het weet is er ineens een meldpunt voor vandalistische reebokken.



Het slachtoffer.