vrijdag 13 oktober 2017

Roodbuiken en zwartbuiken

Zwartbuikwaterspeeuw, Steenbergerloopje, 13 oktober 2017.
Van waterspreeuwen kan ik aardig van slag raken. In positieve zin dan. Mijn eerste zag ik in 1991 bij het ijsbaantje op Schiermonnikoog. Ik was, 18 jaar oud, op pad met een excursie van Avifauna Groningen. Dankzij de onvolprezen site natuurtijdschriften.nl vond ik een verslagje van die bijzondere waarneming. De vogel liet toen prachtig alle in mijn vogelgids genoemde kunstjes zien.

In de decennia daarna zag ik watespreeuwen in de Eifel, Ardennen, Harz, Zwitserland, Engeland en in Noorwegen. Vooral in Zwitserland heb ik uren langs snelstromende beekjes gelegen om waterspreeuwen te observen en fotograferen. Ik was benieuwd of ik iets kon achterhalen van hun voedselkeuze, want wat ze onder water zwemmend van die beekbodem snaaiden vond ik razend interessant. Echt veel wijzer werd ik niet. Heel af en toe zag ik ze met een of ander insect weer boven komen, maar meestal was die al in de maag verdwenen of lukte me het niet om het insect te determineren van die afstand of ze werden in vliegende vaart naar de jongen gebracht. Ook het fotograferen bleek niet echt succesvol. Ik heb slechts 1 acceptabel plaatje in mijn archief zitten.

Ondersoorten
Pas veel later kwam ik er achter dat er twee (onder)soorten waterspreeuwen zijn, zwartbuiken en roodbuiken. (In mijn eerste vogelgids Zien is kennen wordt de waterspreeuw in het geheel niet behandeld). De zwartbuiken, zoals die op Schiermonnikoog, komen voor in Scandinavië en in grote delen van Frankrijk. De roodbuiken komen voor in Midden-Europa, maar ook in Groot-Britannië.  In Zuid-Limburg heeft een paar keer een waterspreeuw gebroed en dat bleken dan weer roodbuiken. Dat lijkt een wat rare verdeling en hoe het precies zit met de verspreiding van de twee, kan ik niet achterhalen.

Roodbuikwaterspreeuw, 's Charl, Zwitserland, april 2005.
Deze week dook er een waterspeeuw op bij de vistrap achter het Sterrenbos van Mensinge. Het bleek een zwartbuik (bijna alle dwaalgasten blijken zwartbuiken) en tot grote vreugde van de fotografen was hij nogal mak. Nou ben ik niet meer zo van het twitchen (vroeger heb ik honderden kilometers gefietst om bijzondere vogelsoorten aan mijn jaarlijst te kunnen toevoegen), maar voor deze waterspreeuw maakte ik toch graag een uitzondering. Ik liet mijn teletoeter in mijn fietstas glijden en kachelde vol goede moed richting Roden.

Toen ik rond een uur of elf bij de vistrap aankwam zag ik al aan de houding van de aanwezige fotografen dat de vogel gevlogen was. Een stuk of vijftien lotgenoten, waarvan veel in camouflagetenue, leunden wat achterover en maakten een praatje met de buurman. De vogel zou wel snel terugkomen was de optimistische gedachte. Ik keek wat om me heen. Zag een paar verse otterprenten in de beekoever staan, genoot van de overvliegende koperwieken en de joelende boomlevers in het bos. Maar na een uurtje vond ik wel best en fietste naar Roden voor een krant, een broodje en koffie.

Prachtig schouwspel
Op de weg terug naar huis, zag ik bij het Steenbergerloopje een bewegend bolletje op het stuwtje. Dat moet hem zijn schoot door mij heen. Op een meter of tien afstand bracht ik mijn telelens in stelling en schoot in no time 150 plaatjes van de zwemmende, duikende en krabbende watespreeuw. Wat een prachtig schouwspel!

Nadat ik genoeg foto's had gemaakt, fietste ik langs de ochtendlocatie. Het was inmiddels twee uur en daar zaten waarempel dezelfde mensen als drie uur eerder. Nog steeds even vrolijk, wachtend op een waterspreeuw die dus een paar honderd meter verderop zat. Toen ik dat vertelde bleven ze allemaal gewoon op hun post. Hij komt vanzelf weer, was nog steeds het idee.

Eenmaal thuis drukte ik ietwat gespannen het SD-kaartje in de computer. Een voor een verschenen de plaatjes in beeld. Van de 150 bleek er slechts eentje scherp. Heb ik weer. Dus, in plaats van dat ik gewoon blij was met de prachtige waarneming, werd ik zowaar wat chagrijnig door de mislukte foto's. En om dat gevoel weer wat te verdrijven, besloot ik er maar een stukje over te schrijven.

O ja, en ik had nog een filmpje gemaakt. En dat is misschien nog wel leuker...





vrijdag 22 september 2017

Het verlangen naar lammergier

Lammergier, Val Sesvenna, oktober 2015
Het is maar een dag rijden naar het paradijs. De plek waar mijn vaak wat overprikkelde geest tot rust kan komen. Waar het vaak chronisch vermoeide en pijnlijke lijf juist door inspanning elke dag een beetje sterker en minder pijnlijk wordt. Waar ik slaap als een os. De bergen van Zuidoost-Zwitserland, het Unterengadin.
   Ieder jaar ga ik er minstens een week naartoe, meestal ergens in het najaar. Maar dit jaar was het iets eerder en helaas ook maar anderhalve dag. We waren op doorreis naar Italië. Voor een ander project. 
   We konden nog één dag wandelen en vanuit het pension La Randulina, waar we altijd vertoeven, kun je alle kanten op. We kozen voor onze 'inloopwandeling' richting Griosch. Niet te zwaar, een kleine twintig kilometer met prachtige berggezichten en meteen kans op allerlei leuke alpenbeesten. 
  In de bergen moet je wel wat meer je best doen dan in Nederland als het aankomt op het zien van vogels en zoogdieren. Het lanschap is er immers groots en weids. Ik tuur dan ook geregeld alle grazige stukjes op berghellingen af op zoek naar gemzen, edelherten of steenbokken. En het luchtruim rond de bergtoppen worden regelmatig gescand op roofvogels. Vooral de lammergier heeft mijn bijzondere belangstelling. 

Herintroductie
Een jaar of zeven geleden startte een herintroductieproject van de lammergier in de Zwitserse alpen. Ik weet nog dat ik twee jaar later voor het eerst een adulte en een jonge vogel zag nabij s-Charl. In één kijkerbeeld. Ik was redelijk buiten zinnen van deze waarneming, maar de Zwitserse wandelaars om mij heen reageerden iets neutraler. 'Bartgeier? Ik bedoelde zeker een Steinadler? Die kwam hier wel voor. Haha, Bartgeier. Gekke Hollander.'


2e kj Steenarend nabij Griosch, augustus 2017.
Dit jaar had ik een soortgelijke ervaring. We zaten in Griosch buiten aan de koffie bij Doris en Chasper toen ik in de verte een lammergier het dal over zag steken. Het was niet meer dan een vlek en ik weet ook niet waarom ik meteen zag dat het een lammergier was. Dat fenomeen heet jizz geloof ik. Ik kreeg de vogel gelukkig snel in de kijker: volledig donker verenkleed, dus jonge vogel. 
   Op het 'terras' zaten ook drie Zwitsers. Ze moesten, net als wij hun taartje delen met tientallen wespen. De man in het gezelschap stond met zijn verrekijker in de richting te turen naar de plek waar ik zojuist die lammergier zag verdwijnen. In mijn steenkolenduits probeerde ik hem duidelijk te maken dat ik daar net een lammergier had gezien. Hij keek me bedenkelijk aan.  
   Even later kwam de vogel weer in beeld. Dacht ik. Het was echter geen lammergier maar een tweedejaars steenarend. De Zwitser wist wel het verschil tussen beide soorten en zei dat het een steenarend was. 
   'Ja, das stimmt, aber die vogel von sojetzt...'  Nou ja, laat maar. Ik moest echt een keer op Duitse les. 

Wigvormige staart
Ik at mijn heerlijke worteltaart op en probeerde daarbij geen wesp mee naar binnen te krijgen. Toen we weer wilden opstaan, vloog de lammergier weer in beeld. Ik kon snel een foto maken om mezelf en de Zwitser te overtuigen dat die lammergier blijkbaar een steenarend had opgejaagd, die daar ergens in een boomtop had zitten dutten. Kortom, er waren twee grote roofvogels. Even later kwam er, heel educatief, zelfs nog een buizerd bij. Hoe dan ook, op de foto van de lammergier was gelukkig de wigvormige staart goed te zien. 
   De Zwitser was overtuigd. Zelfs zijn vrouw en dochter moesten de foto even bekijken. 'Sie haben ein andere Schwanz', voegde ik er aan toe en op het moment dat ik het zei kreeg ik het schaamrood op de kaken. Had ik nu wel het goede woord voor staart gebruikt of had ik die mevrouw nu net gezegd dat die lammergier een andere piemel had? 

Jonge lammergier nabij Griosch, augustus 2017
Van 7 tot en met 15 oktober worden in de Alpen de zogenaamde Bartgeier Beobachtungstage georganiseerd (klik hier). Ik kreeg er een persoonlijke uitnodiging voor, waarschijnlijk omdat ik al mijn waarnemingen van lammergieren (voorzien van foto's) netjes invoer op de Zwitserse versie van waarneming.nl (ornitho.ch). Ik heb in de afgelopen weken mijn agenda vijf keer bekeken en zelfs al een formulier ingevuld om extra vrije dagen te kopen. Maar ook al is mijn bergweh en het verlangen naar lammergier nog zo groot, het zou gekkenwerk zijn.
   Daarom kijk ik hier in Nederland maar uit naar vogels die me figuurlijk meenemen naar de bergen. Grote gele kwikstaart, zwarte roodstaart, slechtvalk... Soms helpt het, maar meestal niet. 

p.s. de titel van dit blog heb ik ontleend aan de twee onvolprezen boekjes die Koos van Zomeren schreef over het verlangen naar hazelwormen en klapeksters. 

dinsdag 22 augustus 2017

Natuurspoorjournaal #104 - Ochtenddas

Loopspoor van een das in de buurt van Elp. 
Het voordeel van wakker worden ín het bos is dat je ook de diersporen ziet die later in de ochtend al weer verdwenen zijn. Loopsporen van een das in bedauwde gras bijvoorbeeld zoals op bovenstaande foto die is gemaakt in de buurt van Elp. Normaalgesproken ben ik - helaas - niet zo'n vroege vogel, maar om meerdere redenen moet ik daar toch maar eens verandering in brengen. 

Zelfde plek, maar dan de avond er voor.
Want wat is het heerlijk buiten in die ochtenduren. Tien minuten na de vondst van dat dassenspoor, stonden we ons al weer te verlekkeren bij een zwarte ooievaar die in een dampend bosven naar iets eetbaars zocht. Ik heb er geen foto van kunnen maken omdat mijn camera te vochtig was, maar het plaatje zit een week later nog tegen de binnenkant van mijn ogen geplakt. Een plaatje met een - ik durf het bijna niet te zeggen - buitelandse wildernisallure, maar dan gewoon in Drenthe.