zaterdag 21 juli 2018

Het Von Humboldt Genootschap

Ik kan me niet veel leukers bedenken dan met gelijkgestemde zielen aan natuurstudie te doen. Het maakt eerlijk gezegd niet zoveel uit wat het onderwerp is. Sporen, veren, vogels, 'zeebeesten' of zoogdieren, alles is goed. Maar dit zijn wel de onderwerpen waar ik het meeste van weet. Ik prijs me dan ook gelukkig dat ik zoveel slimme mensen ken die hun kennis graag delen.

Een boletenzwartlijf, een kevertje dat leeft in zwammen zoals berkenzwam en zadelzwam.

Ik maak tot mijn grote vreugde ook deel uit van het prestigieuze Von Humboldt Genootschap. Dit ultragheime gezelschap komt een keer of zes per jaar bij elkaar. Het concept is eenvoudig. We kletsen wat bij over onze afzonderlijke natuuravonturen, doen een excursie, eten een eenvoudige doch voedzame maaltijd (liefst ergens in het veld), bespreken een gewichtig boek en gaan daarna door met bijvoorbeeld nachtvlinders vangen en proberen ze op naam te brengen.

Kinderboek

Vaak heeft het thema van het boek en de excursies iets te maken met insecten. Niet dat Von Humboldt daar nu speciaal in geïnteresseerd was, maar het eerste boek dat we lazen en bespraken was de biografie van Andrea Wulf over de grote Duitse natuuronderzoeker. Daarna volgden boeken van bijvoorbeeld Dave Goulson (over hommels), Stefano Mancuso (over planten), Fredrik Sjöberg (over zweefvliegen), James Rebanks (over het leven als schapenhouder) en M.G. Leonard (over kevers). Ja, ja, dat laatste boek is inderdaad een kinderboek... 

Boommieren proberen hun vee (schorsluizen) in veiligheid te brengen.

Ik ben van oorsprong niet echt een 'insectengeek'. Ik weet er ook weinig van en de moed zakt al snel in mijn schoenen als ik zie hoeveel soortgroepen en soorten er zijn. Die soorten lijken soms ook nog eens verschrikkelijk veel op elkaar. Aan de andere kant is het ook weer buitengewoon bevredigend als het wel lukt om een soort op naam te brengen, ook al blijkt dan vaak dat het een heel algemene soort is. Ik moet zeggen dat ik dan ook steeds meer verslingerd raak aan kevers, hommels, libellen, sprinkhanen, vlinders en al die andere kriebelbeesten. En dat is niet heel handig want eigenlijk moet ik al mijn tijd besteden aan het afronden van Het Prentenboek... 

Een karmozijnrood weeskind, een zeldzame nachtvlinder die steeds vaker wordt gezien (lijkt het).

Nou ja, ik werk nu hard aan een wat saaier deel in dat proces (redactie en fotobewerking) en dus beloon ik mezelf nu even met leuke uitzoekklusjes. Hieronder een paar resultaten van onze bijeenkomst van gisteren. Zoals ik al zei, ik ben een insectengroentje. Feedback op foute determinaties zijn dan ook van harte welkom. 

Is dit nu een schavertje (man) of een knopsprietje (vrouw)? We houden het op de laatste vanwege de geknikte zijkiel. Met dank aan Lizette van Buren-Wolf. 

Pluimvoetbij aan het werk. Mooi spoor ook ;-)

Ook weer zo'n leuke. Volgens mij een vrouwtje van de algemene steenrode heidelibel. De 'snor' op het gezicht loopt door op de zijkant van het hoofd en de legschede staat haaks op het lichaam. Dus geen bloedrode. Maar dan, er zit een sterk rode zweem op het achterlijf en de vleugelaanzet... Dat zie ik weer nergens als mogelijkheid in de boekjes. 



zaterdag 5 mei 2018

Natuurspoorjournaal #106 - Anti-roofvogel spray


Door havik geplukte postduif. (Norg, april 2018)
Ik kan me goed voorstellen dat je als postduivenhouder niet heel gelukkig wordt als je beste (en meestal duurste) duiven worden gepakt door een havik. Waar ik dan weer niet heel gelukkig van word, is dat er allerlei geleuter rondom roofvogels wordt bebezigd om ze in een kwaad daglicht te stellen. In een soort hink-stap-sprong-redening wordt al snel gezegd dat er teveel zijn en dat ze dus dood moeten, zoals met alle dieren die ons wat in de weg zitten.

Roofvogels, of roofdieren in het algemeen, leven naar hun aard. Ze kunnen niet anders. Wij hebben ze in de afgelopen honderden jaren met alles wat binnen onze mogelijkheden lag (klemmen, gif, nesten beschieten) bestreden. En dat terwijl ze al sinds 1936 beschermd zijn bij wet. Na de Tweede Wereldoorlog kregen veel roofdieren ook nog eens een forse tik door opstapeling van persistente bestrijdingsmiddelen zoals DTT. Het aantal roofdieren is in Nederland lange tijd onnatuurlijk laag geweest. Dat de stand nu onnatuurlijk hoog zou zijn is onzin van de bovenste plank.

Uit mijn eigen onderzoek in de boswachterij Veenhuizen blijkt dat de roofvogelaantallen sinds 2011 behoorlijk dalen. Had ik in 2011 nog ruim dertig buizerdterritoria, dit jaar blijft de teller onder de tien. Het aantal broedpaar havik is gedaald van vijf naar twee tot drie. Sperwer is nagenoeg verdwenen, net als boomvalk en torenvalk. Wespendief is al jaren redelijk stabiel met 2 tot 3 territoria.

Afijn, gelukkig zijn er ook postduivenhouders die alternatieven aandragen, zoals de duiven inspuiten met een roze kleurstof. Dit moet roofvogels afschrikken en er zijn goede ervaringen mee. Maar eerlijk is eerlijk, het helpt niet altijd en overal zoals blijkt uit bovenstaande foto. Hier heeft de dorpshavik van Norg een 'gekleurde' postduif te pakken genomen. Helaas.

Voor het gemak, HIER  een linkje waar je het spul kunt bestellen.

maandag 2 april 2018

Natuurspoorjournaal #105 - Kauwproppen

In de afgelopen weken vond ik kort achter elkaar een zogenaamde kauwprop. Zo'n kauwprop is niets anders dan een fijngekauwde en weer uitgespuugde hoopje plantenresten. Bij de eerste vondst ging het om een prop pitrus op het landgoed Welna op de Veluwe (zie foto 1). Aan de prenten die eromheen stonden konden we opmaken dat het van een wild zwijn was.
Foto 1. Kauwprop (pitrus) van wild zwijn. Welna, Veluwe.
Dat wilde zwijnen die soort sporen achterlaten, had ik al eerder gezien in de nawinter. Nagenoeg al het hoogwaardige voedsel is op, maar de honger blijft. Ze proberen dan in leven te blijven van planten die nagenoeg niets opleveren. Of zoals Gerrit Jan Spek het zei in een mailwisseling: 'Misschien ga je dan net niet dood.'

Foto 2. Vastgelegd stuifzand met o.a. buntgras. Kootwijkerzand.
Een paar weken later vond ik op het vastgelegde stuifzand bij Kootwijk (zie foto 2) soortgelijke proppen (foto 3), maar nu waren het restanten buntgras. Ook hier ging ik er weer vanuit dat het afkomstig was van wilde zwijnen, maar hoe ik ook zocht, ik kon niet één prent of een ander spoor van een wild zwijn vinden. Daarentegen miegelde het van de edelhertprenten en ook lagen her en der uitwerpselen van edelherten.

Foto 3. Kauwprop (buntgras), hoogstwaarschijnlijk van edelhert. Kootwijkerzand.
Ik ken dit fenomeen niet van herten en daarom stuurde ik de foto's naar faunaspecialist Gerrit Jan.  Hij kent die kauwproppen vooral ook van wilde zwijnen en niet direct van herten. Maar hij heeft herten wel eerder op buntgras zien foerageren. Toen was het ze om de bloeiwijzen te doen. Buntgras lijkt in deze tijd van het jaar ook voor herten niet echt een ideale voedselbron, maar ook zij hebben vast honger nu. Of ik heb gewoon niet goed genoeg gezocht en tientallen zwijnenprenten over het hoofd gezien. Dat kan natuurlijk ook...
Ergo, wel eens edelherten op buntgras zien foerageren, kauwproppen zien produceren of er ergens iets over gelezen? Ik hoor het graag!