zondag 24 mei 2020

Dassenwerk


Veel vers graafwerk op een burcht in het voorjaar lijkt een aanwijzing dat er geen jongen zijn. Interessant gegeven om verder uit te zoeken. 
Mei is de piekmaand wat betreft veldwerk. Doelloos dwalen door bosch en beemd voelt al snel als spijbelen want er moeten gegevens worden verzameld. Vooral met het dassenwerk is het nu druk. Binnen de Dassenwerkgroep Drenthe volgen we in drie studiegebieden de ontwikkelingen van dit prachtige wezen op de voet. Twee van die deelgebieden (Kop van Drenthe en Hart van Drenthe) zitten in een verschillende ontwikkelingsfase. De populatie in de Kop van Drenthe is nog steeds in ‘opbouw’, in het Hart van Drenthe is ze min of meer stabiel.
Het veldwerk bestaat een groot deel van het jaar uit het bezoeken van bekende dassenburchten, het in kaart brengen van de ontwikkeling van zo’n burcht en relaties tussen hoofd-, annex- en bijburchten, het zoeken naar nieuwe vestigingsplekken. We gebruiken daarbij cameravallen om te zien wat er jaarrond op zo’n burcht gebeurt: hoe gedragen de dassen zich in de winter, hoe verplaatsen ze zich over de burchten die soms tientallen verschillende pijpen hebben, wanneer houden ze grote schoonmaak of wanneer komen de jongen voor het eerst naar buiten?

Posten

Maar het allerleukste is het posten bij burchten in mei. Dit doen we natuurlijk omdat het leuk is, maar ook om ons cameravalwerk te controleren. Met andere woorden is het aantal dassen dat we met camera’s vaststellen representatief voor het werkelijke aantal dassen op een burcht. De indruk bestaat namelijk wel eens dat op een dassenburcht met twintig pijpen ook twintig dassen huizen. Maar ik maak regelmatig mee dat er dan maar een of twee dassen op zo’n enorm complex zitten. Een grote burcht is ook geen garantie dat er altijd jongen geboren worden.
Doordat we al vijftien jaar bezig zijn (en in het Hart van Drenthe al sinds begin jaren negentig) wordt het steeds interessanter. ‘Verveelt het nou nooit’, vroeg iemand me laatst. ‘Je zit uren naar een paar bulten zand te kijken, wordt helemaal lek geprikt door de muggen en best vaak zie je helemaal niks.’ Dat klopt, als er geen jongen zijn komen dassen vaak zo laat naar buiten dat het al te donker is om ze nog goed te kunnen zien. Maar ook dan blijft het posten voor mij een verrijkende tijdsbesteding. Er gebeurt namelijk altijd wel iets. Een roodborst die nachtvlinders van de boomschors plukt, een reebok die luidend blaffend door het bos trekt of merels en zanglijsters die tegen de schemering nog een keer vol een lied inzetten. En ook als er écht niets zou gebeuren, is dat winst want je hoeft daarna geen meditatielessen meer te volgen.

Zintuigen

Het ‘verplicht’ stilzitten met alle zintuigen op scherp, maken het zoals gezegd tot bijzondere avonden. Steeds weer controleer je de windrichting. Komt die nog wel uit de goede hoek? Met je ogen scan je voortdurend de zandhopen af of tuur je met je verrekijker wat dieper het bos in. Elke kraakje of ritseltje schrijf je toe aan dassen die er wel zijn, maar die je niet kunt zien. Maar eigenlijk is deze alertheid helemaal niet nodig. Als dassen verschijnen, zijn ze er even plotseling als onontkoombaar. Met een beetje mazzel blijven ze een tijdje rond de burcht hangen en kun je met een stille camera mooie foto’s maken. Soms vertrekken ze vrijwel meteen om te gaan foerageren en zie je ze niet weer terugkomen. Maar ook dat zou ik nooit een mislukte avond noemen. En bovendien, er is altijd kans op een toetje weet ik nu.

Jonge das, scharrelend in de berm van een bospad. 

Afgelopen vrijdag liep ik na een paar genoeglijke uurtjes, maar voorzien van honderden muggenbulten, terug naar de auto die op een paar honderd meter afstand op een bospad stond. In de berm scharrelde een van de jonge dassen die een uurtje daarvoor met moeders van de burcht was vertrokken om te gaan foerageren in het omliggende bos. Even keek de jonge das mijn kant op alsof hij wat spottende wilde zeggen: je had vanavond om meerdere redenen beter in de auto kunnen blijven zitten vriend. Daarna ging hij onverstoorbaar door met zoeken naar kevers, larven en andere lekkernijen.

zondag 17 mei 2020

De Heukels' blues


‘Wat is er met jou aan de hand? Jij bent toch van de zoogdieren, vogels en sporen?’ Blijkbaar zit ik in een of ander natuurhokje. Misschien is het daarom wijs om te melden dat ik nieuwsgierig ben naar veel en altijd honger heb. Maar dat ik ook naar planten kijk, was voor sommigen blijkbaar een schok. Vroeg of laat komt iedere naturalist in aanraking met planten, helemaal als je verzeild raakt in ‘het natuurbeheer’.

Wilde peen.
Mijn liefde voor planten is vermoedelijk ontstaan op de laboratoriumschool waar we in de opdracht van de legendarische biologiedocent Paul Cortel planten moesten determineren met behulp van een Heukels’ flora. Voor de meeste van mijn klasgenoten is dat waarschijnlijk de aanleiding tot een levenslang trauma geworden, maar ik vond het prachtig al snapte ik eerlijk gezegd ook geen zak van al die botanische termen. Gelukkig verklapte Paul - we mochten hem bij zijn voornaam noemen, iets wat je bij de chemiedocenten niet moest flikken - na niet al te lang aandringen vrij snel om welke plant het ging. ‘Zoek maar eens bij wilde peen.’ In de Oecologische Flora konden we vervolgens opzoeken wat de plant in kwestie zo bijzonder maakte. En vooral de 'verhalen' over planten in dat boek vond ik fantastisch.

Terschelling


Dennenorchis.
Niet veel later was ik in de zomermaanden voor de Waddenvereniging actief als gids op Terschelling en een van die zomers was ook Diederik van de partij. En Diederik, ik ben zijn achternaam helaas vergeten, was niet zoals ik vogelaar, maar botanist. Met de Heukels’ in de hand ging hij over het ganse eiland en bracht de ene na de andere bijzondere plant op naam. Van de vondst van stijve moerasweegbree, dennenorchis en groenknolorchis herinner ik me vooral het verrukte gezicht van Diederik. Hij probeerde me het Heukeliaans ook te leren, maar hoe graag ik het ook wilde, het lukte me niet. Steeds liep ik weer vast aan het begin van de determineersleutels omdat ik niet zag of de plant nu aanliggende of afstaande haren had. Want de aanliggende haren staan soms best een beetje af.

In een poging de Heukels wél onder de knie te krijgen, ging ik planten terug determineren. Van soorten die ik goed kende, probeerde ik de in de Heukels genoemde kenmerken te onderscheiden. Maar zelfs met de hulp van de Botanische termenlijst, een uitgave in de gewichtige reeks Wetenschappelijke mededelingen van de K.N.N.V., kwam ik er meestal niet uit. Ondertussen had ik van het geld dat ik verdiende met het bespannen van tennisrackets bij Smit Sport in Delfzijl de eerste vier delen van de Oecologische Flora van Eddy Weeda en vader en zoons Westra gekocht. Daarin stonden gelukkig kleurenplaatjes en bladerde ik net zo lang totdat ik de betreffende plant dacht gevonden te hebben. Helaas ontbrak het vijfde deel nog, waardoor de grassen, zeggen, russen en orchideeën nog even terra icognita bleven.

Bittere veldkers


Tijdens mijn opleiding natuurbeheer aan het Van Hall instituut in Groningen moest ik er opnieuw aan geloven. Bij een aantal modules, maar bij veel te weinig naar mijn smaak, moesten er planten gedetermineerd worden. Met de Heukels… Mijn blauwe exemplaar had ik inmiddels ingeruild voor een nieuwe versie met een rode kaft, maar eenvoudiger werd het er niet van. Blijkbaar had ik er geen talent voor, maar tijdens veldexcursies in de Drentse Aa sprokkelden we wel een mooi plantenlijstje bij elkaar. Met dank aan Dirk (sorry, weer geen achternaam) die een vooropleiding als hovenier had en veel planten uit zijn hoofd kende. De paarse helmknoppen van de bittere veldkers vergeet ik nooit weer. 
Uit pure wanhoop ging ik daarna een plantencursus volgen bij de KNNV in Groningen, in de hoop dat daar een heldere geest te treffen die met het determineren met de Heukels kon leren. Ik vermoed dat het ook daar niet lukte, want ik herinner me weinig van de cursus anders dan dat ik voor het eerst zwarte rapunzels langs de Drentse Aa zag en dat de cursusleider bijna in extase vertelde over het muizenstaartje. Weer zo’n mooi verhaal, een plantje dat vooral staat op dammen naar boerenland.
Daarna heb ik nog veel geleerd over zilte vegetaties van Liesbeth Bakker en Almira Siepel, twee toenmalige ecologiestudenten waarmee ik een paar maanden op Schiermonnikoog vertoefde. Voor ons onderzoek moesten we hele lappen kwelder inventariseren en dan rammen de kwelderplanten er vanzelf in. En tot slot, van mijn collega Roelof Blaauw leerde ik nog weer later de bijzonderheden van de Drentse flora kennen. Kortom, het kijken naar planten doe ik al mijn halve leven. Maar determineren met de Heukels kan ik nog steeds niet (echt).

De typische bloeiwijze van de zeewolfsmelk.

Zeewolfsmelk

Tijdens ons verblijf op Rottumerplaat moest ik echter met de billen bloot. Er werd van ons verwacht dat we een zo compleet mogelijke plantenlijst zouden aanleggen. Daar had ik wel wat buikpijn over. Want nu was er niemand die ik kon inschakelen als ik er niet uitkwam. Nicolette is ook geen kenner van wilde planten. Er zat dus niets anders dan planten die ik niet (her)kende op de ouderwetse manier op naam te brengen. Dus een hoop bladeren in de Oecologische Flora en af en toe gefrustreerd de Heukels weer in de hoek smijten als ik er niet uit kwam. Iemand noemde dit blijkbaar bekende fenomeen op het forum van waarneming.nl waar ik beschaamd af en toe een vraag postte de Heukels' blues.
Maar tot mijn grote verbazing zaten er in mijn hoofd wel allemaal luikjes met daarachter een soort fotografische herinnering. Kleine ruit bijvoorbeeld, een vrij zeldzame plant die onder meer in de duinen voorkomt, had ik nog nooit in het echt gezien, maar toch zaten die naam en het uiterlijk ergens in mijn hoofd. Het vele bladeren en lezen in de Oecologische Flora had zijn vruchten afgeworpen.
Met ontzettend veel plezier brachten we op het eiland bijna 150 soorten op naam, waaronder vele soorten die ik voor het eerst bewust zag. Het prachtige grasje dunstaart bijvoorbeeld. Of zeewolfsmelk. Dat gaf weer aanleiding tot een gevoel alsof ik een ketel met kabouterbier was gevallen. Wat een heerlijkheid! Al die verhalen die er weer bij te lezen waren, al die verschillende strategieën die planten hebben bedacht om precies op dat ene plekje uit de voeten te kunnen, maar bovenal wat een lol om naar al die prachtige verschijningsvormen te kijken.  
Nadat we waren teruggekeerd in de bewoonde wereld, wilde ik het ‘botaniseren’ niet laten versloffen. Ik sloot me aan bij de Florawerkgroep van IVN Zuidlaren, meldde me aan als lid van Floron en ging in augustus mee met een excursie van de Werkgroep Florakartering Drenthe onder de bezielende leiding van Ben Hoentjen. Net buiten Norg kamden we een floristisch wat onbeduidend kilometerhok uit, maar kwamen uit op een respectabel aantal van 226 verschillende plantensoorten. Wat een weelde!

De Eggelte


De nieuwste 'Eggelte' (links) en de nieuwe Heukels' Flora. 
Tijdens die excursie zag ik iemand met een ander determinatieboek lopen, de veldgids Nederlandse Flora van Henk Eggelte. Verrek, die had ik toch ook in de kast staan? Thuis sloeg ik het open en realiseerde me dat ik totaal was vergeten dat het bestond, dat ik er al mee had gewerkt en dat het me zowaar ook was gelukt om er planten mee op naam te brengen. Mijn geheugen is na mijn veertigste blijkbaar opgehouden fotografisch te zijn.
Hoe dan ook, de laatste weken heb ik de nieuwste versie weer volop in het veld gebruikt. Maar ook met de ‘Eggelte’ kom ik er niet altijd uit, maar vaak wel een stuk verder dan met de Heukels. En met de combinatie van al die literatuur en met de hulp van moderne determinatiemiddelen als Obsidentify en de uitgebreide info op www.verspreidingsatlas.nl wordt het steeds leuker en makkelijker.
Kan de nieuwe Heukels dan bij het oud papier? Nee natuurlijk niet. Dit stukje is ook helemaal niet bedoeld ter aanprijzing van het een of afkeuring van het andere. Het is niets anders dan een wat lange poging om aan te geven dat er helemaal niets met mij aan de hand is en ik me, ondanks de Heukels blues, buiten kostelijk vermaak met de bloemetjes én de bijtjes.


zondag 10 mei 2020

De wildheid van een winterkoning

Na ons verblijf als vogelwachter op Rottumerplaat vorig voorjaar heb ik veel nagedacht over begrippen als wildernis, wildheid en (wilde) natuur, maar vooral ook over onze relatie met natuur. In onderstaande overdenking wil ik het met name hebben over wildheid omdat het een begrip is dat kan helpen in onze, of in ieder geval mijn, zoektocht naar een leven meer in verbinding met de natuur om ons heen. Mijn basisidee is dat we de natuur en daarmee onszelf vooral ruimte moeten geven.


Winterkoning. 

Natuurfilosoof Martin Drenthen geeft een mooie definitie van wat ik onder wildheid versta: ‘Datgene wat tegen de menselijke controledwang ingaat.’ Bij gebrek aan wildernis, een landschap dat een geschiedenis heeft zonder menselijke invloed, biedt het begrip wildheid mij een venster op de ongerepte natuur. En voor de duidelijkheid, ik idealiseer of romantiseer die ongereptheid niet. Ik wil niet terug naar de tijd waarin we in berevellen en met speren op rendieren joegen. Ik merk alleen dat ik een sterk verlangen heb om het ongerepte binnen handbereik te hebben. Om het op te kunnen zoeken.
Dat verlangen begon ruim twintig jaar geleden toen ik een paar keer afreisde naar het oosten van Polen. Ik wilde wel eens zeearenden zien en kraanvogels of wolven. We reden er nogal toeristisch rond in een busje, bezochten diverse gebieden tussen de vermaarde Biebzra en mythische Bialowieza en zagen inderdaad zeearenden, kraanvogels en zelfs een wolf, al was het maar een halve seconde voor mijn gevoel. En we zagen nog meer. Veel meer. Maar dat realiseerde ik me toen nog niet.
Daar in Polen werd ik voor de tweede keer in mijn leven overvallen door een gevoel dat ik moeilijk onder woorden kan brengen. De eerste keer dat het me overkwam was toen ik na uren lopen de oostpunt van Schiermonnikoog bereikte en vanaf het Willemsduin (wat toen nog zo’n beetje de oostpunt was) uitkeek over een stijf bevroren Waddenzee. En later kwam het gevoel terug hoog in de bergen van Zwitserland, tijdens een verstilde kanotocht in de Muritz en toen ik het Noorderlicht zag op de Lofoten. Stuk voor stuk grootse ervaringen. Maar het gevoel overviel me kortgeleden voor het eerst ook toen ik het verlaten nest van een winterkoning vond in de wortelkluit van een omgevallen boom in een voormalige productiebos.

Bialowieza (Polen). 

Kinderschoenen

Het gevoel dat ik hierboven beschrijf komt overeen met wat de Britse schrijver Paul Kingsnorth omschrijft als ‘het besef dat je deel uitmaakt van iets dat groter is dan jezelf.’ Het is voor mij een fijn, berustend en relativerend gevoel. Een gevoel van verbondenheid ook.  
Dit soort ervaringen had ik dus vooral in landschappen die nog relatief ‘heel’ zijn, maar dat soort landschappen zijn dichtbij huis nogal schaars. De landschappen die ons omringen zijn over het algemeen juist verre van heel. Het bos vlakbij mijn huis bijvoorbeeld en waar ik bijna dagelijks kom, is nog geen 150 jaar oud. Dat bos staat als het ware nog in de kinderschoenen. Nog niet zo lang geleden was het een eindeloze overbegraasde heidevlakte. Van ongestoorde landschappen is in Nederland sowieso al een kleine vijfduizend jaar geen sprake meer, al zal het er in de tijd van de hunebedbouwers nog redelijk gaaf zijn geweest. Een landschap waar uitgestrekte bossen, hoogvenen en moerassen elkaar afwisselden. Dit gemis wordt vaak aangegrepen door mensen die er een belang bij hebben om de natuur die er nog wel is af te doen als ‘geen echte natuur’ of nog erger ‘nepnatuur’. 
In de huidige, over het algemeen nogal mensgerichte landschappen lijkt het lastig om in de buurt te komen van wat ik voor het gemak maar even een natuurgevoel noem. En dat is jammer, want ik kom er steeds meer achter hoe natuur niet alleen voor mij persoonlijk, maar eigenlijk voor iedereen van levensbelang is. De onderzoeken over de waarde van natuur voor onze lichamelijke en psychische gezondheid stapelen zich op en in deze Corona-crisis zie je bijvoorbeeld dat we eigenlijk veel te weinig natuur of natuurlijke ruimte hebben.  

Nest van zwarte wegmier in wording in onze achtertuin.


Troost

Zoals vaker in de geschiedenis is gebleken, biedt natuur in ellendige tijden ruimte en troost. Ik moet in die zin vaak denken aan het boek De laatste wildernis van Robert Macfarlane waarin hij schrijft over een Engelse soldaat in een Duits krijgsgevangenkamp. De man zat jaren opgesloten, moest onmenselijk werk doen onder erbarmelijke omstandigheden. Maar de mooie herinneringen aan zijn wandeltochten in de woeste Schotse bergen, zijn ontmoetingen met sneeuwhazen en de hoop dat hij daar ooit weer zou kunnen ronddwalen, hielden hem op de been én in leven.
Ik vind het dan ook onbegrijpelijk en vooral ook onverteerbaar dat sommige politici en industriëlen vinden dat we voor natuur maar naar het buitenland moeten. Daar is volgens hen meer ruimte. De schaarse ruimte in ons land kunnen we volgens hen beter gebruiken voor hoogwaardige landbouw en industrie.
Het is voor mij een horrorscenario, want het grootste deel van het jaar ben ik niet - wie wel? -  in de gelegenheid om die gebieden in Europa op te zoeken. Bovendien wil ik niet eindeloos in de auto zitten, laat staan om de haverklap vliegen. Het liefst zou ik alles per fiets of te voet willen doen. Natuur in de buurt zou wat mij betreft dan ook moeten worden aangemerkt als primaire levensbehoefte. En die natuur moet ruimer en wilder zijn dan hier en daar een parkje of gebiedje waar op allerlei manieren, direct en indirect, voortdurend aan wordt getornd.
Wat ook merkwaardig is, is dat we steeds bozer lijken te worden op de plant- en diersoorten die nog wél uit de voeten kunnen in het door ons gedomineerde landschap. Generalisten, zoals zwarte kraaien en vossen, die zich net als wij weten aan te passen, kunnen niet op bewondering rekenen maar op diepe haat. En verdwenen soorten die hier langer leefden dan wij en nu terugkeren omdat we zijn gestopt met ze dood te schieten, te vergiftigen of anderszins vervolgen worden beschouwd als ongewenste vreemdelingen.
Het lijkt mij een verkeerde weg om deze ontwikkelingen tegen te houden. Het is juist nu een goede tijd om te onderzoeken of we op een andere manier kunnen samenleven met wilde planten en andere dieren. Mijn stellige overtuiging is dat als we ze meer de ruimte geven, we daarmee uiteindelijk meer ruimte geven aan onszelf.

Kraanvogels in de 'achtertuin', najaar 2019.


Ommekeer

Soorten waarvoor ik vroeger naar Polen ging, komen zoals gezegd langzamerhand vanzelf ons land weer binnenwandelen en –vliegen. Kraanvogels broeden op nog geen tien kilometer van mijn huis. Onlangs zag ik twee zeearenden cirkelen boven de Slokkert  tussen Norg en Veenhuizen en er lopen weer geregeld wolven rond in Drenthe. Bovendien zijn de raven weer terug, zie ik langs elke beek in de Kop van Drenthe weer ottersporen en broedde er vorig jaar zelfs een oehoe in het Drents-Friese Wold. Stuk voor stuk iconen van wildheid. Wie had dat durven dromen twintig jaar geleden? Ik word er intens gelukkig van.
Maar de echte ommekeer naar een leven waarin we de natuur meer ruimte geven en weer beschouwen als een primaire levensbehoefte in plaats van een noodzakelijk kwaad of zelfs als bedreigend, zit wat niet per se in de terugkeer van al die grote aansprekende soorten. Steeds meer realiseer ik me dat het accepteren van wildheid begint in je eigen achtertuin. In de plantjes die zich tussen de stoeptegels omhoog wringen, in de mieren die ineens over je vensterbank lopen, de spin die zijn web heeft gemaakt in een hoekje van het raam en de mussen die onder je dakpannen nestelen.


Goed verstopt en gecamoufleerd nestje van een winterkoning.

Wonder van wildheid

Daarom ga ik tot slot, graag nog even terug naar het nest van die winterkoning. Afgelopen winter liep ik door een verre van natuurlijk bos. De fijnsparren van een jaar of zestig oud stonden, ondanks vele dunningsrondes, nog steeds strak in het gelid. Onder de bomen had zich een decimeters dikke moslaag ontwikkeld en de lage winterzon wierp goudgele stralen door het bos. Een van de sparren was door de wind omver geworpen en zijn hoge, platte wortelkluit torende ongeveer een meter boven ons uit. Nog niet zo lang geleden was die boom meteen in stukken gezaagd en uit het bos gehaald, want dood hout was zonde van het geld en bovendien werd het met al die dode bomen een rommeltje. 
Maar in dit bos, waar de kettingzaag inmiddels achter slot en grendel is gedaan, had een winterkoning in deze kleine overwinning op de menselijke controledwang een volgende stap gezet. In het voorgaande voorjaar had hij zijn nest gemaakt in de kluit van die omgevallen fijnspar. Een perfect nestje van enkel mos. Het paste precies in de kom van mijn handen. Er waren jonge winterkoningen in grootgebracht die op hun beurt het komende voorjaar weer even hartstochtelijk zelf zo’n wonder van wildheid in elkaar zouden vlechten.
Door deze vondst zag ik in dat verwildering en daarmee verwondering begint in het kleine en op het moment dat wij in staat zijn om los te laten. Daarmee zeg ik niet dat alles moet veranderen in een met spinnenwebben omhulde janboel, maar wel dat we de vraag moeten stellen hoe we zo min mogelijk impact op natuur hebben en daarna pas, zoals milieuwetenschapper Jean Paul van Soest het onlangs in Trouw zei, moeten kijken welke economie daarbij past. En ik vermoed dat we er dan snel achter komen dat we er niet ongelukkiger op worden. Integendeel zelfs.