maandag 27 november 2017

De vossen van Weil

Prachtige prenten van een vos, gevonden in in Havelte in betere tijden.

De regen van de laatste dagen heeft van elk favoriet zandpad een heuse rivier gemaakt. Al dagen kijk ik reikhalzend uit naar op zijn minst een droge nacht. Ik wil namelijk zo graag weer eens een mooie vossenprent vinden. Aan de andere kant dank ik de almachtigen van deze wereld op mijn blote knietjes dat ik überhaupt weer in de regen buiten kan lopen. 

De afgelopen vier weken werden namelijk nogal in beslag genomen door het herstellen van de Ziekte van Weil, een vrij heftige bacteriële infectie die onder andere wordt verspreid via de urine van bruine ratten. Ik ben tien dagen heel ziek geweest en moest vijf dagen in het ziekenhuis verblijven met als dieptepunt acuut lever- en nierfalen. Door een tijdige diagnose en dito behandeling - ook al was de eerste sneltest negatief - is me erger leed waarschijnlijk bespaard gebleven en zijn mijn nieren in ieder geval volledig hersteld. 

Na twee weken aansluitende wandel- en bankligrevalidatie voelde ik me vandaag weer sterk genoeg om wat te struinen in een stukje bos wat verder van huis. Ik verheugde me op het zwerftochtje, maar had, zoals altijd, ook een boodschappenlijstje. Ik was bijvoorbeeld nieuwsgierig hoe het de das verging die een tijdje geleden serieuze plannen leek te hebben voor het bouwen van een nieuwe burcht. Als basis gebruikte hij een verlaten en nagenoeg dichtgegroeid vossenburchtje. Een maand of twee geleden toen ik er voor het laatst was, had hij (of zij) dit uitgebreid met 2 nieuwe pijpen.

Verse latrine van een das. 


Er was niet veel veranderd, al kon ik zien aan de vele wroetsporen in de grond en aan het feit dat de reëenwissel die vlak lang een burchtje loopt een stuk breder was geworden dat er in ieder geval nog 1 das rondscharrelt. Ongeveer 25 meter verderop vond ik een nieuw burchtje met vers vergraven zand en net buiten het bos een al even verse latrine. Maar ook op deze nieuwe plek was het grondverzet nog niet heel indrukwekkend. Maar zo gaat het vaak. Een tijdje lijkt het alsof een das op zo'n plek een beetje aan het klussen is met een zomerhuisje en dan ineens, vaak als er een partner is gearriveerd, verandert het zomerhuisje in no time een kasteel.

Uitwerpsel van das in de latrine. Ze eten nu nog mais van de overgebleven kolven op de akkers. 
Ik struinde verder zuidwaarts en koerste aan op een stuk met oude fijnsparren. Ik hou van dit soort bossen. De bodem is er bedekt met een dik en zacht mostapijt. Je zou er even kunnen gaan liggen en toen ik weer thuis was bedacht ik me pas dat ik gewoon had moeten doen. Maar ik had de eekhoorns in de kop. Zo lang ik me kan herinneren vind ik hier al afgekloven kegels van sparren als teken van hun aanwezigheid, terwijl ik ze zelf hier nog nooit gezien heb. Het laatste tijd kwamen daar echter geen verse afgekloven kegels meer bij. En ook de mij bekende eekhoornnesten in de lariksen even verderop zijn nu oud en vervallen. Het lijkt alsof de eekhoorns uit dit bos verdwenen zijn. En ik krijg de indruk dat dit in meer bossen in Drenthe aan de gang is. Maar dat zou ik natuurlijk beter moeten onderzoeken voor ik dat beweer.

In een ander gedeelte van het bos vond ik een mooi stammetje dat door een zwarte specht aan grote splinters was gehakt. Ik zag aan de lege keverlarvegangen in het hout dat was overgebleven dat hij een groot aantal eiwitbommetjes had bemachtigd. Nu mieren nauwelijks meer actief zijn, neemt het aandeel keverlarven in het zwarte spechten-menu weer toe. En het is iedere keer weer fascinerend om te zien hoe groot die houtsplinters zijn die een zwarte specht uithakt om bij die larven te komen. Probeer het zelf maar eens met een mes of schroevendraaier. Dat valt nog niet mee!

Foerageersporen op keverlarven door zwarte specht. 


Tot slot liep is dus nog even over een van die al eerder genoemde verregende zandpaden in de ijdele hoop op de prent van een vos. Ze hebben er zelf natuurlijk geen benul van, maar de wetenschap dat er buiten altijd vossen zullen zijn, was voor mij, 'gevangen' binnen de vier muren van dat ietwat treurige ziekenhuis, een buitengewoon opbeurende gedachte. 

zaterdag 21 oktober 2017

In het voetspoor van Linnaeus - Boekenweek 2018

Een jonge Carolus Linnaeus
geschilderd in 1853 door
Hendrik Hollander.
Het thema van de Boekenweek 2018 is Natuur. In dat licht werk ik voor de maanden rond de Boekenweek een lezing uit onder de titel In het voetspoor van Linnaeus. Natuurschrijvers staan figuurlijk (bijna) altijd op de schouders van een voorganger. Iemand die hen inspereerde of zelfs vrij letterlijk aan de hand nam. In mijn lezing ga ik in op de mooiste verhalen, avonturen en ontdekkingen van natuurschrijvers in de afgelopen 300 jaar.  

Mijn verhaal begint bij de in 1707 geboren Zweedse natuuronderzoeker Carolus Linnaeus. In 2013 legde ik deels de route af van de studiereis die hij bijna 300 jaar eerder door de Zweedse provincie Dalarna maakte. In het dagboek dat hij van die reis bijhield, beschreef hij niet alleen allerlei feiten over planten, dieren, mensen en gebruiken, maar hij springt hier en daar - meer dan bij zijn eerdere dagboek van zijn reis door Lapland - uit de band met een mooie landschapsbeschrijving of natuurbeleving. 

Von Humboldt
Ook al begint mijn verhaal op de grens van Noorwegen en Zweden en kom ik geregeld op dat avontuur terug, de natuur in de directe omgeving van mijn huis is de rode draad. Van hieruit dwaal ik via bekende namen als Von Humboldt, Thoreau, Darwin, Muir, Heimans en Thijsse en J.A. Baker steeds verder af naar hedendaagse natuurschrijvers als Robert Macfarlane, Caspar Janssen en Koos van Zomeren. Ook minder bekende helden komen langs en ik laat zien dat ze vaak onterecht in de vergetelheid zijn geraakt. De lezing wordt (hopelijk) geen gortdroge aaneenschakeling van citaten, maar explosie aan mooie verhalen over wat natuurschrijvers drijft en over hun soms nogal hachelijke avonturen. En, als het mag, vertel ik graag iets over de twee boeken waar ik zelf op dit moment aan werk en die dan hopelijk klaar zijn. Onder het plaatje van Von Humoldt vind je wat meer info over beide boeken. 

Agenda
In de Agenda in de rechter menubalk vind je waar de lezing wordt gegeven. De lezing wordt waarschijnlijk in twee lengtes aangeboden, 1 uur zonder pauze of 2 x 45 minuten met pauze. Mocht u de lezing willen boeken, dan kunt u contact opnemen via aaldrikpot@gmail.com. 

Alexander von Humboldt in zijn bibliotheek in Berlijn in 1856.
Geschilderd door Eduard Hildebrandt.

De onsterfelijke nachtegalen
Begin februari 2018 verschijnt bij uitgeverij kleine Uil De onsterfelijke nachtegalen, een natuurdagboek in briefvorm waaraan Barbara de Beaufort en ik tot eind november werken. In dat dagboek verkennen we een jaar lang de natuur in onze 'achtertuin' en merken we hoe een simpele vraag over het gemis van bepaalde vogelgeluiden tijdelijk met onze briefwisseling aan de haal gaat. Al zijn de avonturen in ons bestaan wat minder groots en meeslepend als die van bijvoorbeeld Alexander von Humboldt, ook in onze achtertuinen bleek weer dat verdieping in de natuur vaak leidt tot veel plezier, verwondering en vooral ook weer nieuwe vragen. We bleven steeds nieuwsgierig hoe bepaalde diersoorten hun leven leiden, maar hadden ook veel vragen (en soms een antwoord) over hoe wij ons als mensen verhouden ten opzichte van andere wezens. 

Het Prentenboek
Door het schrijven van het dagboek en mijn zoektocht naar een dagelijkse portie natuur, laaide mijn vroege liefde voor vogels weer in alle hevigheid op. De laatste jaren werden ze een beetje naar de achtergrond verdrongen door zoogdieren en vooral ook door het (leuke) monnikenwerk aan diersporen. Dat laatstgenoemde werk leidt hopelijk in maart tot het verschijnen Het Prentenboek waar René Nauta en ik hard aan werken. Het wordt een kloek boek over de pootafdrukken van zoogdieren, vogels en andere dieren. Via deze Facebook-pagina kun je de ontwikkelingen volgen. 

vrijdag 13 oktober 2017

Roodbuiken en zwartbuiken

Zwartbuikwaterspeeuw, Steenbergerloopje, 13 oktober 2017.
Van waterspreeuwen kan ik aardig van slag raken. In positieve zin dan. Mijn eerste zag ik in 1991 bij het ijsbaantje op Schiermonnikoog. Ik was, 18 jaar oud, op pad met een excursie van Avifauna Groningen. Dankzij de onvolprezen site natuurtijdschriften.nl vond ik een verslagje van die bijzondere waarneming. De vogel liet toen prachtig alle in mijn vogelgids genoemde kunstjes zien.

In de decennia daarna zag ik watespreeuwen in de Eifel, Ardennen, Harz, Zwitserland, Engeland en in Noorwegen. Vooral in Zwitserland heb ik uren langs snelstromende beekjes gelegen om waterspreeuwen te observen en fotograferen. Ik was benieuwd of ik iets kon achterhalen van hun voedselkeuze, want wat ze onder water zwemmend van die beekbodem snaaiden vond ik razend interessant. Echt veel wijzer werd ik niet. Heel af en toe zag ik ze met een of ander insect weer boven komen, maar meestal was die al in de maag verdwenen of lukte me het niet om het insect te determineren van die afstand of ze werden in vliegende vaart naar de jongen gebracht. Ook het fotograferen bleek niet echt succesvol. Ik heb slechts 1 acceptabel plaatje in mijn archief zitten.

Ondersoorten
Pas veel later kwam ik er achter dat er twee (onder)soorten waterspreeuwen zijn, zwartbuiken en roodbuiken. (In mijn eerste vogelgids Zien is kennen wordt de waterspreeuw in het geheel niet behandeld). De zwartbuiken, zoals die op Schiermonnikoog, komen voor in Scandinavië en in grote delen van Frankrijk. De roodbuiken komen voor in Midden-Europa, maar ook in Groot-Britannië.  In Zuid-Limburg heeft een paar keer een waterspreeuw gebroed en dat bleken dan weer roodbuiken. Dat lijkt een wat rare verdeling en hoe het precies zit met de verspreiding van de twee, kan ik niet achterhalen.

Roodbuikwaterspreeuw, 's Charl, Zwitserland, april 2005.
Deze week dook er een waterspeeuw op bij de vistrap achter het Sterrenbos van Mensinge. Het bleek een zwartbuik (bijna alle dwaalgasten blijken zwartbuiken) en tot grote vreugde van de fotografen was hij nogal mak. Nou ben ik niet meer zo van het twitchen (vroeger heb ik honderden kilometers gefietst om bijzondere vogelsoorten aan mijn jaarlijst te kunnen toevoegen), maar voor deze waterspreeuw maakte ik toch graag een uitzondering. Ik liet mijn teletoeter in mijn fietstas glijden en kachelde vol goede moed richting Roden.

Toen ik rond een uur of elf bij de vistrap aankwam zag ik al aan de houding van de aanwezige fotografen dat de vogel gevlogen was. Een stuk of vijftien lotgenoten, waarvan veel in camouflagetenue, leunden wat achterover en maakten een praatje met de buurman. De vogel zou wel snel terugkomen was de optimistische gedachte. Ik keek wat om me heen. Zag een paar verse otterprenten in de beekoever staan, genoot van de overvliegende koperwieken en de joelende boomlevers in het bos. Maar na een uurtje vond ik wel best en fietste naar Roden voor een krant, een broodje en koffie.

Prachtig schouwspel
Op de weg terug naar huis, zag ik bij het Steenbergerloopje een bewegend bolletje op het stuwtje. Dat moet hem zijn schoot door mij heen. Op een meter of tien afstand bracht ik mijn telelens in stelling en schoot in no time 150 plaatjes van de zwemmende, duikende en krabbende watespreeuw. Wat een prachtig schouwspel!

Nadat ik genoeg foto's had gemaakt, fietste ik langs de ochtendlocatie. Het was inmiddels twee uur en daar zaten waarempel dezelfde mensen als drie uur eerder. Nog steeds even vrolijk, wachtend op een waterspreeuw die dus een paar honderd meter verderop zat. Toen ik dat vertelde bleven ze allemaal gewoon op hun post. Hij komt vanzelf weer, was nog steeds het idee.

Eenmaal thuis drukte ik ietwat gespannen het SD-kaartje in de computer. Een voor een verschenen de plaatjes in beeld. Van de 150 bleek er slechts eentje scherp. Heb ik weer. Dus, in plaats van dat ik gewoon blij was met de prachtige waarneming, werd ik zowaar wat chagrijnig door de mislukte foto's. En om dat gevoel weer wat te verdrijven, besloot ik er maar een stukje over te schrijven.

O ja, en ik had nog een filmpje gemaakt. En dat is misschien nog wel leuker...