Posts tonen met het label gaai. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gaai. Alle posts tonen

woensdag 31 augustus 2016

Natuurspoorjournaal #95 - Kijk, poep!

Poepplek van een vos langs de Waal. Wel op een verhoging natuurlijk. 

Niets leukers dan je proberen te verplaatsen in het dier waarvan je net een spoor hebt gevonden. Wat was hij of zij hier aan het doen? Gedragsstudie zonder dat je het dier zelf in beeld hebt zeg naar. Maar ook gevaarlijk natuurlijk, want de fantasie ligt op de loer. Helemaal als je met iemand op pad bent die ook een beelddenker is en van oorsprong ook nog eens (strip)tekenaar. Hoe dan ook, gisteren liep ik met René in de Millingerwaard en op zo'n middag komt er een heel arsenaal aan sketches voorbij. Je zou er een boek over moeten maken...

Goed, op de strandjes langs de Waal miegelde het van de leuke sporen. Vooral van padden. Eindeloos veel padden. Die zitten overdag blijkbaar verstopt tussen de basaltblokken en bouwen des nachts op het strand een feestje. Maar wat doen ze daar? 'Vliegjes eten', suggereerde René. Welke paddensoort zou het überhaupt zijn, vroeg ik me af? Weet iemand het? Wat doen welke padden 's nachts op de Waalstrandjes?

We konden ook lange tijd het spoor van een vos volgen. Ik word er zo blij van. Die vossen die er altijd zijn. Op de overgangen is er blijkbaar het meeste te halen. De overgang van water naar zand en van zand naar basaltblokken, om precies te zijn. Daar stonden de prenten. Soms in een rustig drafje, soms in volle galop. Op een paar punten dook er ineens een tweede vos op. Of was het dezelfde vos die een rondje liep? Nee, het was duidelijk een andere prent. Kleiner. Of was die dier later en hebben ze elkaar niet getroffen?

Galop van (hoogstwaarschijnlijk) een wezel.

Even verderop kruiste het spoor van een marter het vossenspoor en eerder al zagen we het galopje van een wezel. Ook voor deze minimarter zijn de kribben ideaal, vooral als er wat ruigte op staat. Muizen genoeg in de buurt zagen we (aan de sporen). Het deed me denken aan de locaties in de Alpen waar ik regelmatig wezels tegenkom. En zo zit je vanuit een Nederlandse rivier - hinkstapsprong - zo in de bergen. Dat is ook het leuke van diersporen.

Prent van een meerkoet. Eindelijk. Let op de lobben aan de tenen. Je moet wel even goed kijken.

Maar het allerleukste was een kraai die op zijn kraais over het strand stapte. Beetje waggelend, de voeten licht naar binnen, sleepsporen van tenen. Onmiskenbaar. Maar dan. Het dier liep een pol voorbij en zag in zijn ooghoek een hoop stront. In een splitsecond besloot de kraai haaks linksaf te slaan, want stront betekent meestal dat er iets te eten is. De kraai is dan meestal niet geïnteresseerd in de poep zelf, maar in de insecten die er op af komen. Heel veel leek dit hoopje poep niet opgeleverd te hebben, want aan de sporen kon je zien dat hij er niet heel lang heeft stil gestaan.

Haakse bocht van een kraai. 

René wekt aan de hand van het spoor de kraai nog even tot leven. Ik zal u een beschrijving besparen, dat zijn typisch dingen waar je bij moet zijn. Even verderop zien we nog het spoor van een konijn die een gat in de grond heeft gepiest. En had ik het al gehad over die prachtige gaaienprenten en die meerkoet? En die beversporen, had ik die al genoemd? En die reiger? En die...

Prenten van een gaai.

Vol energie rijden we middagfile rond Nijmegen in.

zondag 3 januari 2016

'Grondroest' bij bosuilen

In 2012 schreef ik een artikel voor het magazine Uilen over op de grond slapende bosuilen, een fenomeen waarbij ik het woord grondroest wel goed vind passen. Gisteren kwam weer eens zo'n gevalletje tegen (zie naschrift), reden waarom ik het artikel hier even plaats.

Bosuilennest in de boswachterij Veenhuizen, 2012. 
Door de bank genomen roesten bosuilen overdag in boomholtes, dichte bosopstanden of holtes in gebouwen. Daarbij gaan we er vanuit dat een verdekte schuilplaats zoals een holte voordelen biedt ten opzichte van een meer open rustplaats, bijvoorbeeld ter voorkomen van pesten door andere vogels zoals gaaien. Tijdens mijn onderzoek naar boommarters en roofvogels ben ik in de afgelopen jaren twee keer gestuit op een op de grond slapende bosuil. Komt dit vaker voor en is er een verklaring voor deze op het eerste oog merkwaardige keuze?

Incident

In 2009, tijdens een roofvogelinventarisatieronde in de boswachterij Veenhuizen (Dr.), stootte ik langs een wandelpad een bosuil op. Hij zat verscholen tussen een vijftal dicht op elkaar staande jonge lariksen van ongeveer zestig centimeter hoog. De omliggende vegetatie was nog niet heel hoog, maar toch was de uil me niet opgevallen. Op de plek waar de vogel zat lagen geen braakballen of schijtsporen. Ik deed het voorval daarom af als een bijzonder incident. Op dat moment had een bosuilenpaar een nest in een oude holle eik op ongeveer 150 meter afstand van de roestplek.
Later legde ik de waarneming voor aan Willem van Manen, die niet alleen veel velduren maakt, maar ook naar bosuilen ‘kijkt’. Hij had in het voorjaar van 2003 een soortgelijke ervaring in het Brabantse Liesbos waar hij tweemaal - met een tussenpoos van een paar weken - een roestende bosuil uit de slootrand joeg. Ondanks dat deze uil blijkbaar vaker gebruik maakte van een grondroestplaats, was het fenomeen Willem verder niet bekend.
In de algemene ‘uilenliteratuur’ wordt ook bar weinig vermeld over grondroest. Meestal worden de bekende boomholtes, ruïnes, zolders en nestkasten als roestplaats genoemd (Mebs 2000, Glutz von Blotzheim 1994). Deze laatste noemt echter ook ‘bodengestrupp’ (bodemstruikgewas) als mogelijke roestplaats. Er wordt helaas niet naar onderzoek verwezen waarin dat laatste ook daadwerkelijk is geconstateerd. Fred Koning en Gert Bayens geven in hun nog steeds onvolprezen studie Uilen in de duinen wel aan dat bosuilen af en toe op de grond broeden. Zij kwamen op 229 onderzochte nesten 4 keer tegen.

Broedhabitat van de bosuil in de boswachterij Veenhuizen (2012). Het open beukenvak wordt begrensd door vakken met grove den en sitkaspar. Beide percelen bieden, net als het beukenvak (behalve de holle bomen), weinig dekkingsmogelijkheden voor een roestende bosuil. 

Nieuwe waarneming

Het fenomeen was wat naar de achtergrond gezakt, toen ik er in 2012 op een andere locatie opnieuw mee te maken kreeg in de boswachterij Veenhuizen. Op 26 april stuitte ik in een open beukenvak, bij een voormalige nestboom van een boommarter, op twee (mogelijk drie) grote donsjongen van een bosuil. De jongen waren op dat moment een week of vier oud. De volgende dag bezocht ik de nestboom nogmaals rond een uur of tien in de ochtend. Het vrouwtje was toen aanwezig op het nest.
Nadat ik een uur of drie later klaar was met mijn andere veldwerkzaamheden, wierp ik nogmaals een blik op de nestboom. De adulte vogel was verdwenen, maar de jongen lieten zich niet zo prominent zien als de vorige dag. Bij het doorsteken van het belendende  bosperceel met sitkasparren (kale stammen tot vlak onder te top) van circa dertig jaar oud, vloog een bosuil op van de grond en ging enkele tientallen meters verderop in een spar zitten waar ze luid krijsend werd verwelkomd door een paar gaaien.
De roestplaats bestond uit een holte op de grond onder de stobbe van een omgezaagde sitkaspar. Rond en in de holte lagen drie braakballen, een teken dat deze roestplaats vaker werd gebruikt. Deze roestplaats was enigszins vreemd omdat in het beukenperceel van de nestboom enkele holle beuken staan die zeer geschikt zijn als dagrustplaats voor een bosuil. Een van de holtes was op dat moment bezet door een paartje zwarte spechten. Er waren op dat moment geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een boom- of steenmarter. Twee dagen later was het uilennest trouwens verlaten. De jongen werden vreemdgenoeg ook niet meer in de buurt gevonden of gehoord. Er werd overigens ook geen enkele aanwijzing gevonden voor predatie van het nest.

Grondroestplaats van bosuil van een bosuil in de boswachterij Veenhuizen Dr. (2012). Voor de holte ligt een braakbal. In de holte lagen nog twee braakballen. Deze roestplaats was dus meerdere malen gebruikt.


Anekdotische waarnemingen

Opnieuw wakkerde deze waarneming de nieuwsgierigheid aan naar het hoe en het waarom van ‘grondroest’. Daarom heb ik een aantal mensen benaderd die in hun carrière de nodige velduren hebben gemaakt.  Ook dan blijft de spoeling dun als het gaat om op de grond slapende bosuilen. Herman Feenstra trof eens een ‘grondroestende’ bosuil aan in de noordrand van het Fochteloërveen tussen wat opslag van jonge grove dennen. Rob Bijlsma liet desgevraagd weten nog nooit op de grond slapende bosuilen te zijn tegen gekomen. Wel stuurde hij een paar artikelen op waarin iets wordt gezegd over keuze voor roestplaatsen. 
Hendrichsen et al (2006) beweren dat bosuilen hun roestplaats dusdanig kiezen zodat de kans op ‘mobbing’ zo klein mogelijk is. Mobbing (pesten in een groep) is een bekende anti-predator strategie van veel vogels. Sunde et al (2003) onderschrijven dat in hun onderzoek nog eens. Maar juist van bosuilen met onvolwassen jongen wordt gezegd dat ze hun roestplaats minder opzichtig is dan van (jong) volwassen vogels. Van de 2140 onderzochte roestplaatsen bevond de uil zich in 99% van de gevallen op een hoogte tussen de 0,2 en 25 meter in een boom. Helaas wordt van de ruim 20 gevallen die buiten die marge vallen niet vermeld waar de roestplaats zich wel bevindt.

Hoe dan ook, de hierboven beschreven waarneming bewijst dat een overdag zichtbare bosuil niet lang onopgemerkt blijft bij andere vogels. Een soortgelijke ervaring had ik lang geleden in de Bialowieza waar een openlijk zichtbare laplanduil voortdurend werd gepest door een stel gaaien. Mogelijk ligt hier een gedeeltelijke verklaring voor de incidentele keuze voor een ‘grondroestplaats’. Voor pestkoppen als gaaien en merels is een grondroestende bosuil waarschijnlijk minder zichtbaar en dus minder bedreigend en kiezen bosuilen bij gebrek aan beter voor een grondroestplaats. Bij de waarneming van Willem van Manen in het Liesbos was er echter geen sprake van een nest en bij het hierboven beschreven geval in 2012 waren en voldoende holle bomen in de buurt beschikbaar. Er lijkt verder ook niet veel voordeel te zijn bij het slapen op de grond boven de meer reguliere roestplaatsen. Maar beter is het om te zeggen, we weten het (nog) niet…
Slaapplek van een bosuil in Berkenheuvel
(jan, 2016)
Naschrift 2016

Tijdens een diersporenexcursie in het Drents Friese Wold op 2 januari 2016 zagen we vlak langs een wandelpad en bosuil opvliegen die bij nader inzien, aan de andere zijde, onder een sparretje op de grond zat te slapen. Er waren verder geen braakballen aanwezig wat suggereert dat de bosuil in kwestie de slaapplek niet heel frequent gebruikt.

Dankwoord

Met dank aan Willem van Manen en Herman Feenstra voor hun waarnemingen en Rob Bijlsma voor het toezenden van enige literatuur.

Bovenstaand artikel is verschenen in Uilen 3, 2012.

Literatuur

Glutz von Blotzheim, U.N. 1994. Handbuch der Vogel Mitteleuropas. Band 9: 579-611. Aula – Verlag Gmbh.

Hendrichsen, D.K., Christiansen, P., Nielsen, E.K., Dabelsten, T. and Sunde, P. 2006. Exposure affects the risk of an owl being mobbed – experimental evidence – J. Avian Biol. 37: 13-18

Koning , F.J. en Bayens. G. 1990. Uilen in de duinen: 55-77. KNNV Uitgeverij.

Mebs, T. en Scherzinger, W. 2004. Uilen van Europa: 226-247. Tirion Uitgevers.

Sunde P., Bǿlstad, M.S and Desfor, K.B. 2003. Diurnal exposure as a risk sensitive behavior in tawny owls Strix Aluco? – J. Avian Biol. 34: 409-418

zaterdag 27 september 2014

Eikelfestival

Gaai met meerdere eikels in zijn keelzak.
Voor ons huis staat een eik. En uitgerekend deze boom is vandaag decor van wat ik een van de meest fascinerende natuurlijke fenomenen vind: het eikelfestival. Ineens zijn de eikels in een bepaalde boom blijkbaar van de juiste rijpheid en ineens storten meerdere gaaien zich op die boom. De hele dag door zijn ze aan het zoeken, beoordelen en verzamelen. Niet elke eikel komt blijkbaar in aanmerking om uiteindelijk te worden verstopt. Welke criteria ze precies hanteren blijft me ook na uren intensief observeren onduidelijk.

Naast de eikel die geschikt wordt bevonden, hangt een ogenschijnlijk even geschikte eikel. Maar nadat eikel 1 in de keelzak is verdwenen, hippen ze een stukje verder in de boom, om daar nummer 2 te verzamelen. Per keer gaan er zes tot zeven eikels in de keelzak. De laatste nemen ze in de snavel mee. De gaaien verstoppen de eikels op willekeurige plaatsen, althans zo lijkt het. Er zit ongetwijfeld een idee achter. Ik zie ze geregeld eentje begraven in het grasveld tegenover ons huis. Dat gaat met hoge snelheid. Gaatje maken met de snavel. Eikel erin. Beetje toedekken. Nog even kijken. En weer weg.

Na een kleine vijf minuten komen ze al weer aanvliegen. Klaar voor de volgende ronde. Ik hóór het vooral als ze weer terug zijn. De afkeurde eikels laten ze vallen en kletteren op het dak van de auto's. Op deze manier verzamelen en verstoppen gaaien duizenden eikels. Omdat lang niet alle eikels weer worden opgezocht, zouden er in theorie op open plekken eikenbossen kunnen ontstaan. In theorie. In de praktijk worden die eiken voordat ze echt boom kunnen worden al weer uitgerukt of afgemaaid. Ik trek ook - al is het met enige schroom - jaarlijks tientallen eenjarige eikjes uit mijn voortuintje.

En zo zorgen we er met zijn allen voor dat zo'n prachtig natuurlijk proces nagenoeg geen kans krijgt. Natuurlijke processen zijn van harte welkom, als het maar niet te veel morrelt aan de grenzen van onze cultuur of, om het bij mezelf te houden, mijn tuintje.

Een eikel wordt eerst van het dopje ontdaan voordat het naar binnen wordt gewerkt. 

zondag 28 oktober 2012

Natuurspoorjournaal #23 - (ont)Hamsteren

Pitten van een kers aangegeten door een bosmuis. Aan de rand van het knaaggat zijn tandafdrukken te zien (niet op de foto te zien natuurlijk). Bij de rosse woelmuis is de rand van het knaaggat niet beschadigd.

Hoe vaak heb ik al niet verbaasd naar een gaai staan kijken die met vijf, zes eikels in zijn krop wegvloog. Als een volgeladen bommenwerper 'roeien' ze naar een geschikte plek om het voer te verstoppen voor de winter. Gisteren zag ik zowaar een gaai zijn buit verstoppen. Niet aan de rand van het bos, zoals zo vaak in vogelboekjes te lezen is, maar gewoon midden in een geitenweitje. Geen poespas, binnen twintig seconden had ie ze allemaal onder de grond.

Het gaaiengehamster kan ik sinds kort ook van heel dichtbij aanschouwen. We hebben in onze 4x4-tuin een pindasnoer opgehangen en dit heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op een gaaienpaartje. 's Ochtends komen ze een paar keer langs om een paar pinda's te snaaien. Waar ze die dan vervolgens naartoe brengen ontgaat me helaas, maar ik vind het wel een opbeurende gedachte dat die veel te dure pinda's als wintervoorraad dienen. Die gaai weet natuurlijk niet dat ik waarschijnlijk de hele winter een half maandsalaris aan vogelvoer ga uitgeven.

Gaaien zijn fascinerende beesten en mijn dag kan al niet meer stuk als ze even komen buurten. Maar deze dag werd nog beter toen ik in de buurt van Veenhuizen een typisch gevalletje van onthamsteren aantrof. Onder een eik had een bosmuis zijn holletje ontdaan van de zomerrestjes om ruimte te maken voor de wintervoorraad. Voor de deur lagen een stuk of honderd uitgegeten pitten van een zoete kers. Het leek net alsof die bosmuis ze met een emmertje naar buiten had gegooid, zoals wij een emmer water leeg gooien. Hupsakee!