Posts tonen met het label BosBlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label BosBlog. Alle posts tonen

zondag 29 mei 2011

Bosblog (9) – Norger bosmuur


Norger bosmuur?

Het bos heeft vele geheimen. Een daarvan is die van de oud bosplanten. Wanneer vinden deze specifieke groep planten het bos oud genoeg om te verschijnen? Heksenkruid, lelietje van dalen, daslook en in mindere mate ook dalkruid en gewone salamonszegel zijn bij uitstek aanwijzers voor de ouderdom van een bos. Onze bossen zijn over het algemeen nog niet zo oud en dus ontbreken bovengenoemde planten vaak. Ik was dan ook verbaasd dat ik ineens – althans zo leek het - in ‘mijn’ 100 hectare grote plakkaten dalkruid, lelietje van dalen en salamonszegel vond. Stuk voor stuk prachtige planten die het bos een stuk aantrekkelijker maken.
De ‘ontdekking’ van deze kleine bospareltjes zorgde naast een vreugdemomentje ook voor dat er een verhaal over een nogal mythisch bosplantje mijn hersenpan binnenwaaide: de Norger bosmuur. Dit witte plantje zou alleen in het Norgerholt voorkomen. Nou is het al niet echt simpel om de in Nederland vrij zeldzame bosmuur van de veel algemenere en ook aan bosranden groeiende watermuur te onderscheiden. Hoe zou ik de Norger bosmuur herkennen?

Uniek?
In de onvolprezen Flora van Eddy Weeda wordt er met geen woord over gerept. Voor Weeda bestaat de Norger bosmuur dus niet. Dan maar even op Internet speuren.
Eric le Gras schrijft in 2003 in Trouw echter zonder voorbehoud ‘De Norger bosmuur, een variëteit van de bosmuur die alleen in het Norgerholt voorkomt, doet het overigens wel goed (…)’. Het Natura 2000-dossier van de provincie doet er nog een schepje bovenop: ‘De Norger bosmuur is een plant die nergens anders ter wereld voorkomt. Uniek dus.’ Ha, eindelijk wordt het woord uniek eens niet misbruikt. Dat is een pluspuntje. Maar, ik ben nog steeds niet helemaal overtuigd. Volgens de site van Alterra werd het plantje hier echter al in 1924 ontdekt en komt hij verder in de Ardennen en het noorden van Sleeswijk Holstein voor. Niet uniek dus. Minpuntje. De Latijnse naam Stellaria nemorum subsp. montana valt dan ineens ook wat tegen. Ik had eerder iets gehoopt als subsp. norgaria of iet dergelijks. Bergen (montana) hebben we hier helaas niet of het moeten de al even verderop gelegen Adderbergen zijn.

Ongesteeld
Hoe ik nu die Norger bosmuur van de gewone kan onderscheiden wordt me nog steeds niet duidelijk. Aan de bladeren lees ik wel ergens, maar hoe dan? De ‘gewone’ bosmuur heeft volgens Weeda ongesteelde bladeren, de onderste bladeren van de watermuur zouden wel stelen hebben… Ik ga er gemakshalve maar even vanuit dat de Norger specimen ook ongesteeld door het leven gaat. Jakkes, op de foto die ik heb gemaakt van de ‘muur’ kan ik alleen de bovenste stengelbladeren goed zien. Dat schiet dus niet op.
Ik kom er voorlopig niet uit. Ik vraag binnenkort mijn collega Roelof Blaauw wel even. Dat is een wandelende plantenencyclopedie vermomd als boswachter. Als hij het ook niet weet, bestaat de Norger bosmuur gewoon helemaal niet. Stiekem hoop ik daar een beetje op, want het leven wordt er toch weer een stuk overzichtelijker van. Ik vind het gewone dalkruid trouwens ook een stuk mooier om te zien…


'Gewoon' dalkruid

zaterdag 26 februari 2011

BosBlog (5) Het bos van Asterix en Obelix

In mijn jeugd was bos een synoniem van natuur. Ik woonde op de kale vlakte van het Groningse land en ging in het weekend of in de vakanties regelmatig naar de Drentse of Veluwse bossen. Die lagen toen heel ver weg, kan ik me herinneren. En altijd was ik weer een beetje teleurgesteld dat het bos waar wij kwamen in de verste verte niet leek op het bos uit de stripboeken over de avonturen van Asterix en Obelix die ik verslond. Hoe kon dat?

Gedierte
Wat ik het meest opmerkelijk vond was dat we in die Drentse en Veluwse bossen bijna nooit dieren zagen. Volgens de strips van Asterix en Obelix wemelde het in het bos juist van de wilde everzwijnen en ander gedierte. De openingstekeningen in De Odyssee van Asterix laten dat bijvoorbeeld prachtig zien. Maar waarom zijn er in de Nederlandse bossen zo weinig beesten te zien? Letten we niet goed op of waren ze er gewoon niet?

Exoten
Sinds is voor boswachter studeer, heb ik geprobeerd bovenstaand raadsel op te lossen. Deze zoektocht werpt echter voortdurend nieuwe vragen op. Bijvoorbeeld: is het ‘opruimen’ van exoten wel nodig, moet bos altijd ecologische waarde hebben of mag het ook over mooi of lelijk gaan; moet je echt om de vijf jaar dunnen om een gezond bos te krijgen; moet dat dunnen overal op dezelfde manier; hoe reageren bosbewonende beesten als vogels en eekhoorns daarop; waar willen we eigenlijk naar toe met het bos en willen we allemaal hetzelfde; hoe ziet dat er dan uit; zijn er voorbeelden elders in Europa; hoe zag oerbos er in Drenthe eigenlijk uit; en over welk oerbos hebben we het dan; welke invloed hebben wij als mens op het bos? Zucht.

Vragen
U ziet het, vooral heel veel vragen. En dat in dit meningentijdperk. Om van een vrager een meninger te worden, heb ik me in de afgelopen jaren daarom door een meter of twee literatuur over bossen, bosgemeenschappen en bosbeheer heen geworsteld en heb diverse bosgebieden en bosreservaten in Nederland en Europa bezocht. Daarnaast ben ik een aantal onderzoekjes gestart om ecologische relaties tussen bossoorten beter te begrijpen. Zo heb ik gekeken naar de ontwikkeling van bosvogels in Mensinge, de teruggang van ransuilen onderzocht, de roofvogelstand in de boswachterij Veenhuizen in kaart gebracht, ik probeer te achterhalen waar boommarters zich ophouden en waarom, ik kijk naar hoe dassen gebruik maken van het bos, probeer te begrijpen hoe bosbodems en ouderdom van bossen zich verhouden tot de plantengroei en ben geboeid geraakt door de rol van schimmels, mieren en gaaien en in het bos. Niet in de laatste plaats ben ik geïntrigeerd door de vraag wat mensen in het bos te zoeken hebben…

Kennis
In die jaren heb ik dus veel kennis opgedaan. Maar ben ik ook wijzer, of een meninger, geworden? Ik weet het niet. Ik kom er weo steeds meer achter dat bossen enorm complexe systemen zijn en dat goed of fout in termen van bijvoorbeeld beheer nauwelijks kan bestaan. Toch wil ik mijn ‘kennis’ graag delen, misschien wel in de hoop dat we allemaal vooral meer vragen gaan stellen en minder mening hebben. In mijn lezing zal ik uitgebreid stilstaan bij de geschiedenis van het bos in Nederland en in Drenthe in het bijzonder, welke invloed wij daar als mensen op hebben gehad, hoe de bossen in Drenthe er nu voor staan en hoe het er in de toekomst uit kan zien. En het grappigste is misschien wel dat ik me helemaal niet door die twee meter literatuur heen had hoeven worstelen. In de albums van Asterix staat alles, soms in een paar tekeningen, kort en bondig weergegeven. Misschien is het allemaal wel veel minder serieus en complex dan we denken…



Zo simpel kan het zijn ;-) Uit: Asterix en het Romeinse lusthof.

zaterdag 12 februari 2011

BosBlog (4)

Zit de boommarter nu wel of niet in die 100 ha waar dit BosBlog over gaat. Vier jaar geleden ben ik begonnen om dat te onderzoeken. Waarom? De boommarter is in Nederland een zeldzaam dier en zeldzame dieren zijn altijd leuker te onderzoeken dan zeg bosmuizen. De Werkgroep Boommarter Nederland (www.werkgroepboommarter.nl) is al een jaar of twintig bezig om te onderzoeken hoe groot de boommarterpopulatie in Nederland is. En gaat het dan om een zogenaamde metapopulatie, dus staan de verschillende deelpopulaties met elkaar in contact, of zijn ze genetisch van elkaar aan het vervreemden? De grootste populatie in Drenthe bevind zich in het Drents-Friese Wold.

Er werd vanuit gegaan dat boommarters grote aangesloten bosgebieden nodig hadden om zich voort te kunnen planten. In de loop der jaren is aan het licht gekomen dat ook bossen van een paar honderd hectare geschikt leef- en voortplantingsgebied zijn. Het inventariseren van boommarters is echter ook in kleinere bossen een tijdrovend karwei, helemaal als je voortplanting wilt vaststellen. Je brengt potentiële nestbomen in kaart en kijkt in het voorjaar of de bomen bezet zijn. Dat betekent uren struinen, bomen bekijken en sporen zoeken. Vooral in de perifere gebieden , waar ik mijn onderzoek doe en waar niet jaarlijks voortplanting plaatsvindt, gaan er jaren voorbij zonder dat je ook maar een boommarter gezien. Ook al heb je dan in totaal meer dan duizend hectare bos, en potentieel geschikt voortplantingsgebied 'onder je hoede'.

Frustrerend
Een beetje frustrerend wordt het als je wel voortdurend sporen vindt in de vorm van marteruitwerpselen en prooiresten die aan marters toehoren. Met nieuwe technologie zoals cameravallen kunnen de voormalige eigenaren van deze sporen iets gemakkelijker worden achterhaald. Maar die technologie laat ook een twijfel weer toeslaan. Sporen die ik tot voor kort aan boommarter toeschreef, blijken toch van steenmarters te zijn.

De steenmarter, die zo bekend is van de meer stedelijke omgeving, blijkt ook ver en diep in de bossen voor te komen. Althans, dat bewijst mijn cameraval. Onderzoek van anderen had dat ook al wel laten zien, maar een beetje eigenwijs ben ik natuurlijk ook wel. Vanochtend was de opwinding groot. Mijn cameraval maar liefst twintig filmpjes gemaakt op een zeer veelbelovende plek waar ik veel boommartersporen had gevonden. In de auto snel het kaartje in mijn netbook, maar net op het moment dat ik de filmpjes in beeld kreeg, hield de accu het voor gezien.

Dan nog maar even wachten. Met een gelukzalig gevoel haalde ik mijn val op die in een heel ander gebied stond. Geen enkele opname, maar wat gaf dat? Ik had immers een ander ijzer in het vuur. Ik stelde de beloning nog even uit door een paar mooie wissels te volgen. Mogelijk levert dat weer een nieuwe dassenburcht op. Ik vond sporen van bosmuizen, eekhoorns, ree, uitwerpselen van een vos. Een buizerd vloog klagend weg. Het ging steeds harder ijzelen, maar dat maakt allemaal niet uit. Het was mooi buiten, zoals altijd.

Eenmaal thuis, was er toch weer even die teleurstelling. Op de filmpjes stond geen boommarter, zelfs geen steenmarter, maar een drietal bosmuizen dat zich tegoed deed aan de pindakaas. Ik grinnikte om mijn eigen kinderlijke enthousiasme. Had ik toch bosmuizen 'onderzocht'. Het blijft spannend en leerzaam dat buitenwerk. Ook Marc van Roosmalen en andere grote natuuronderzoekers zullen wel eens blij zijn geweest met een dooie muis, ik bedoel mus...


Zo zie je ze helaas maar zelden...

woensdag 9 februari 2011

BosBlog (3)

Op weg naar werk fiets ik langs de 100 ha waar dit BosBlog over gaat. In het begin van de 20e eeuw werd het aangeplant op stuifduintjes. Op Franse kaarten uit 1811-1813 staat het gebied aangegeven als stuifzand. Er was in die tijd nauwelijks bos rond Norg. Alleen het Norgerholt staat op deze kaart als zodanig aangeduid. Op de Topografische Militaire Kaart van 1850 is er nog niet veel veranderd. Vijftig jaar later is echter te zien dat grote delen van de heide- en veengronden rond Norg zijn ingeplant. Ook in de Molenduinen is een begin gemaakt. Er ligt bijvoorbeeld een gedenksteen van een dame die hier in de jaren twintig met haar vader de eerste bomen heeft geplant. In 1950 heeft het bos zijn huidige omvang bereikt. Alleen een paar heidevennen zijn dan nog niet ontgonnen. Tegenwoordig is nog een van de heidevennen min of meer intact. Het grootste ven, het Molenveen, is in gebruik genomen als ijsbaan.

In de Molenduinen zijn vooral grove dennen aangeplant. Hier en daar staan wat andere naaldhoutsoorten en zomereik. De oudste bomen zijn nu een dikke 80 jaar. Qua bosgeschiedenis en -ontwikkeling is de Molenduinen niet veel anders dan het gemiddelde Drentsche bos. Bijna alle bossen zijn immers aangeplant op arme venige en zanderige gronden. Maar dat maakt het meteen zo interessant. Want omdat het niet heel bijzonder is, wordt er weinig onderzoek naar de flora en fauna gedaan. En daar ga ik in het Jaar van het Bos wat aan doen...


Topografische kaart van Bonne, circa 1900.

vrijdag 4 februari 2011

BosBlog (1)

Het Jaar van het Bos, daar moeten we wat mee doen... Waarvan akte. Binnen dit onvolprezen ik-vind-veel-leuk-en-wil-daar-graag-over-schrijven-blog, ruim ik een overhoekje in voor het BosBlog. Ik neem je mee het bos in, op mijn zoektocht naar beesten, planten en... de waarheid. Ik raak steeds meer geobsedeerd door het idee dat we het zo met elkaar oneens zijn over hoe het bos er in Nederland er heeft uitgezien en hoe het er in de toekomst uit zou moeten zien. Het zal gaan over boeken, wetenschappers, visies, theorieën, weetjes, onzin en over bomen natuurlijk. Maar het zal vooral gaan over ontdekkingen in wat ik voor het gemak maar even mijn achtertuin noem. Een bos van krap 100 hectare, met heel veel verschillende eigenaren. Wat gebeurt er allemaal in zo´n bos, welke beesten huppelen en rond en waarom? Kortom, allemaal dingen waar u helemaal niet op zit te wachten! Maar wel gelardeerd met mooie of nuttige foto's en daarom misschien best de moeite waard om af en toe eens te bekijken...

















Vos en hond poepen gebroederlijk naast elkaar. Van wie is wat?
Bruin is Bonzo, zwart is ex-muis en ander wild spul.