Posts tonen met het label eik. Alle posts tonen
Posts tonen met het label eik. Alle posts tonen

zondag 3 mei 2020

Eik en beuk

Bloeiende zomereik.
Diverse Nederlandse gemeenten zijn vol in actie met het bestrijden van de eikenprocessierups. Daarvoor zie je de meest uiteenlopende methodes voorbij komen op de sociale media. Populair zijn zogenaamde biologische bestrijdingsmiddelen op basis van bacteriën (Xentari) of aaltjes. Dat klinkt allemaal reuzegezellig, maar deze middelen doden niet alleen rupsen van de eikenprocessierups, maar álle rupsen van dag- en nachtvlinders. De Vlinderstichting praat zich de blaren op de tong om gemeenten er toe te bewegen vooral in te zetten op vergroting van de biodiversiteit, waardoor vogels en andere predatoren in voldoende mate aanwezig zijn om de overvloed aan rupsen de kop in te drukken. 
Op sommige plekken leidt dat tot goede resultaten, maar je hebt natuurlijk geen totale controle over het probleem. En dat vinden we blijkbaar eng (of te duur dat kan natuurlijk ook). Ondertussen staan de zomereiken vol in bloei. Toen ik naar de bescheiden, maar schitterende bloeiaren stond te kijken schoot me het moment te binnen dat ik voor het eerst besefte dat ook eiken en beuken bloeien. Bij boomsoorten als wilg en zoete kers bijvoorbeeld is die bloei zo prominent aanwezig dat je er niet omheen kunt. Beuk en eik doen het wat minder uitbundig, maar niet minder mooi.

Onze mooiste plant

Tijdens een van de plantencursussen die ik ooit volgde stak de cursusleider voorafgaand aan de les zijn vinger in de lucht en zei op samenzweerderige toon: ‘Op dit moment bloeit een van onze mooiste planten. Weet u welke ik bedoel?’ De cursisten somden de meest uiteenlopende spectaculaire plantensoorten op, maar de glimlach op het gezicht van de cursusleider werd steeds heimelijker. ‘Nee’, sprak hij op een gegeven moment het verlossende woord: ‘de beuken bloeien!’  Op zijn gezicht verscheen een brede glimlach.
Helaas heb ik niet onthouden waarom dit voor hem zo speciaal was, maar het deed mij beseffen dat ik het nog nooit gezien had, er nog nooit op gelet had en er geen weet van had. O ja, en een boom is natuurlijk ook een plant. Dit moment was voor mij de ommekeer in het verleggen van mijn aandacht van het bijzondere naar het gewone. Oftewel, tot die tijd was ik vooral bezig met het binnen harken van bijzondere soorten voor mijn lijstjes, maar er bleek achter elke soort - kwam ik al snel achter - een hele wereld schuil te gaan.

Gal van de beukengalmug die later in het jaar op het blad van beuken is te vinden.


Oecologische flora

Voor die cursus had ik van het geld dat ik bij een Smit Sport in Delfzijl verdiende met het bespannen van tennisrackets de toen nog vierdelige Oecologische Flora gekocht. Daarin werden maar liefst 4,5 pagina aan de beuk gewijd. Ik las dat beuken maar een keer in de vijf tot acht jaar bloeien en dat een beuk minstens vijftig jaar oud moet zijn voordat ze echt beukennootjes gaan produceren. Maar wat me vooral trof was de uitleg over de plaats van beuken in onze bossen en hoe belangrijk ze zijn voor andere organismen. Na de beuk, volgde het lemma over de eik: 7 pagina’s. En toen ik dat las, begon het me helemaal te duizelen. Op deze boomsoort leven alleen al meer dan vierhonderd soorten insecten. Het totaal aantal organismen dat op, van en rondom eiken leeft loopt waarschijnlijk in de duizenden.

Karmozijnrood weeskind, een zeldzame nachtvlinder die leeft op oude eiken en waarvan de rupsen nu ook actief zijn.


Doodzonde

Maar ja, als je dat allemaal niet weet, je geen docent of cursusleider hebt die je er op wijst, loop je er achteloos aan voorbij of doe je een soort föhn op wielen achter een tractor en verander je een bron van leven in één klap in een dooie boel. Ik begrijp het niet. Nou ja, ik begrijp wel dat die brandharen van eikenprocessierupsen erg vervelend zijn, maar niet dat we de overlast op deze rucksichtslose manier bestrijden. We achten ons als soort tot grootse daden in staat, zien onszelf vaak als een wezen dat qua intelligentie en creativiteit ver boven andere organismen uitstijgt, maar bij dit soort 'uitdagingen tot samenleven' blijft er vaak maar een denkconcept over: alles moet dood. Doodzonde wat mij betreft.

donderdag 26 februari 2015

Natuurspoorjournaal #77 - Eindeloze natuur

Sporen van grote bonte specht op zoek naar larven van eikenprachtkever.
Boswachterij Veenhuizen
Ik ben jaloers op Robert Macfarlane en dan vooral op zijn boek The Wild Places. Hij laat je op onnavolgbare wijze voelen hoe het is om buiten zijn. Als ik zijn zinnen lees, voel ik dat het regent, waait, koud is of verlaten, kalm of juist woest en onherbergzaam. Het boek gaat over een fenomeen dat maar moeilijk onder woorden is te brengen, maar Macfarlane komt een heel eind.

Het gaat niet zozeer over wildernis zoals de Nederlandse vertaling van de titel - De laatste wildernis - suggereert. Het gaat misschien al meer over wildheid, of wildness zoals de Engelsen zeggen. Over het wilde of ongetemde. In het kleine bosje vlak buiten zijn dorp als hij bij storm hoog in een beuk klimt, of als hij bijna verzuipt in het Ranoch Moor. Hij wil laten zien dat wildheid nog overal kan zijn, zelfs in een sterk gereguleerde omgeving.

Voor de beleving van dat soort wildheid hoef je inderdaad niet naar de ruige gebieden in Schotland, Wales of Engeland, maar kun je ook gewoon in Nederland blijven. Je kunt daar heel meesmuilend over doen, maar na een dagje zandstralen op het strand van Vlieland of ploeteren door de regenachtige Onlanden snap je wat ik bedoel. Je moet het misschien alleen wat meer opzoeken dan in de Sahara in of de Rocky Mountains.

Dit soort ervaringen zijn wat mij betreft juist ook in Nederland van onschatbare waarde. Ik word er niet alleen blijer van, maar het geeft me telkens weer een bredere kijk op de wereld. Of zoals natuurfilosoof Matthijs Schouten het onlangs zei: 'Grootse natuurervaringen verruimen je denkwereld.'

Dus, met ruig weer juist naar buiten. En je komt dan altijd wel weer iets 'wilds' tegen, zoals vanochtend in de bossen van Veenhuizen. Een grote bonte specht bijvoorbeeld die op een eik naar de larven van eikenprachtkevers had gezocht. Op de grond lagen als bewijs honderden stukjes schors waarachter de lekkernijen verborgen zitten. Of zoals vanmiddag in het Drents-Friese Wold waar collega Jorien Bakker en ik het fenomeen buitenvergaderen naar eigen inzicht invulden.

Tussen het vergaderen door zagen we hoe de dassen uit hun winterrust waren 'ontwaakt' en een paar kakelverse latrines hadden geproduceerd. Niet veel later konden we minutenlang een onvolwassen havik observeren. En we vonden overal prenten van reeën, uitwerpselen van een vos en braakballen van buizerd en bosuil. Toch een stuk interessanter dan de hele tijd naar je vergaderstukken kijken.

Ondertussen werd het steeds minder droog. Op een zeker moment konden we zelfs spreken van een serieus regentje. We kozen daarom voor een omweg richting auto. Ik probeerde nog even onder woorden te brengen hoe we als mensen op verschillende manieren de natuur beleven. 'Voor mij is de natuur vooral eindeloos', zei Jorien. Ik merkte dat haar opmerking bij mij een paar radertjes aan het werk zette. De natuur is inderdaad in zoveel verschillende opzichten eindeloos. In tijd, in ruimte, in herhaling, in beleving...

De eindeloze natuur, ik vond dat in die zeikende regen een buitengewoon geruststellende gedachte.

Latrine van een das. Drents-Friese Wold